Voorgeschiedenis van de Volksduitsers in Hongarije (Hongaarse Donau-Zwaben)
De eerste golf van etnische Duitse volkeren trok Hongarije binnen in de 13de eeuw, doordat Duitse boeren uitgenodigd werden om op vruchtbaar Hongaars grond te werken. Het grootste deel van de Volksduitsers is echter pas in Hongarije terecht gekomen tijdens de heerschappij van het Habsburgse Rijk over Hongarije. Vooral in steden langs de Donau leefden veel Volksduitsers die Donauschwaben genoemd werden. De benaming “Donauschwaben”, komt van de rivier de Donau en het Duitse Zwabische dialect gesproken in de zuidwestelijke regio van Duitsland genaamd Zwaben. Er kwamen veel Volksduitsers te wonen in deze steden doordat er een herbevolking nodig was na Ottomaanse plunderingen en geweld. Een grote meerderheid van de Donauschwaben was katholiek.[2]
De positie van de Volksduitsers in Hongarije
De Volksduitsers in Hongarije bezaten autonome rechten en vooral in steden waren Volksduitsers vaak welvarender dan de Hongaren. De repopulatie van Buda en Pest met Zwabische Duitsers na de plunderingen van de Ottomanen zorgde ervoor dat de Volksduitsers een sterke positie kregen in de economisch belangrijke steden. De Volksduitsers zagen Hongarije als hun thuis en waren tevreden met hun positie in het land. De Volksduitsers werden daarentegen rond het einde van de 19de eeuw steeds sterker beïnvloed door Duitse en Oostenrijkse nationalistische ideeën, het gevoel van een thuis in Hongarije verdween hierdoor niet, maar er ontstonden wel culturele verschillen tegenover de etnisch Hongaarse bevolking. Dit leidde tot een sterke aanhang van Volksduitsers voor rechtse partijen die spraken tot de wensen van de Zwabische minderheid.[2]
Opkomst van het Ultranationalisme
Na een mislukte communistische staatsgreep in 1919 kwam de ultra-nationistische Miklós Horthy aan de macht. Dit leidde tot conflict tussen het Hongaarse nationalisme en de tot Duitsland gerichte nationalistische ideeën van de Volksduitsers. De positie van de Volksduitsers in Hongarije werd gegarandeerd doordat Hongarije tijdens de Tweede Wereldoorlog erg afhankelijk was van het Duitse Rijk, niet alleen op militair, maar ook op economisch gebied.[2]
Rol van Volksduitsers in Oostenrijk-Hongarije tijdens de Eerste Wereldoorlog
Met 52 miljoen inwoners was Oostenrijk-Hongarije het na Rusland en Duitsland en meest bevolkte land van Europa en het had op Rusland na het grootse grondgebied. Dit maakte Oostenrijk-Hongarije een enorm belangrijke speler op het wereldtoneel ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. In Oostenrijk-Hongarije vormde de Duits talige bevolking met 32% van de bevolking een machtige grootste meerderheid met vele hoge posities in het leger en landelijk bestuur. De Volksduitsers speelden in de loop van de Eerste Wereldoorlog in vergelijking met de rest van de bevolking geen bijzonder grote rol. Wel waren ze de grootste minderheid en bezaten vele Volksduitsers belangrijke posities, daarom kun je de algemene acties en gedachtegang van de bevolking zien als die van de Volksduitsers.
Hoewel er binnen het rijk vele verschillende etniciteiten leefden was de steun voor de Habsburgse Keizer Franz Jozef (1830-1916) en later zijn neef Karel (1887-1922) de eerste jaren van de oorlog groot. Vooral in het Hongaarse deel van het rijk bestonden er wel spanningen tussen de Volksduitsers en Slavisch-Hongaarse bevolking, maar dit had geen grote gevolgen voor de oorlog. In de loop van 1918 was de oorlogsmoeheid op een nieuw hoogtepunt. Honger, vermoeidheid en invloeden van de Russische Revolutie waren samen met het militaire verlies tijdens de Grote Oorlog een breekpunt in de loyaliteit naar een gemeenschappelijk Oostenrijks-Hongaars Rijk. In de zomer van 1918 was het voor velen duidelijk dat deze oorlog niet in het voordeel voor de Centrale Mogendheden zou eindigen en vele verschillende etnische groepen grepen hun kans voorbereidingen te maken op de stichting van eigen staten. Karel probeerde tevergeefs het rijk bij elkaar te houden doormiddel van meer autonomie en goedkeuringen voor nationale raden, maar na het verlies van de oorlog was het behouden van het Oostenrijks-Hongaarse rijk al helemaal niet meer mogelijk.
Verloop van de verdrijvingen
In de zomer van 1945 was Hongarije en de rest van de Europese Asmogendheden compleet verslagen door de Geallieerden. Zuidelijke gedeeltes van Hongarije werden aan Joegoslavië gegeven en Transsylvanië met een grote hoeveelheid Volksduitsers werd aan het nu communistische Roemenië gegeven. Vanwege de ligging van Hongarije tussen de westelijke en communistische invloedssferen werd Hongarije lange tijd geregeerd door een gecombineerde Geallieerde commissie.
Ook de verdrijvingen van de Donauschwaben uit Hongarije werd daardoor in tegenstelling tot Tsjecho-Slowakije door de Geallieerden georganiseerd aan de hand van de conferentie in Potsdam. Het gevoel van wraak tegen de Duitsers bestond niet in dezelfde mate als in Polen en Tsjecho-Slowakije, aangezien Hongarije tijdens de Tweede Wereldoorlog samenwerkte met nazi-Duitsland. De schuld bij alle Duitsers leggen zou betekenen dat ook alle Hongaren schuldig zouden zijn aan wat hun regering had gedaan. Ook waren de Hongaren niet blij met het plan om een klein maar belangrijk gedeelte van de landelijke arbeidskracht te verdrijven. Maar nu de Geallieerden de controle hadden over Hongarije maakte het niet meer uit wat de bevolking vond. Volgens de conferentie van Potsdam moesten de Duitsers namelijk gewoon verdreven worden zoals in de meeste andere gebieden. Er wordt ingeschat dat er voor de verdrijvingen zo’n 470 duizend Donauschwaben in Hongarije leefden, hiervan waren er in 1949 nog maar 22 duizend over. De verdrijvingen verliepen in verschillende fases.
Eerste fase van de verdrijvingen: massa arrestaties door de Sovjets
De eerste fase is nog niet echt een letterlijke verdrijving te noemen, want er werden alleen nog maar Duitse en Hongaarse nazi aanhangers gearresteerd die direct te maken hebben gehad met de gruweldaden tegen de Joden. Er wordt geschat dat er in totaal 600 duizend Hongaarse burgers gearresteerd zijn door de Sovjets, hiervan zouden er ongeveer 50 duizend Duits zijn. Velen van hen belandden in Siberische Goelags en afgelegen gebieden in Kazachstan.
Tweede fase van de verdrijvingen: complete verdrijving van Donauschwaben
De tweede fase begon in januari 1946, waarbij het doel was om overgebleven Donauschwaben uit Hongarije te verwijderen. Hierbij ging het niet om de oorlogscriminelen, maar om burgers die een gewoon leven probeerden te leiden. De Sovjets hebben bij de Geallieerde Commissie toestemming gekregen om minstens 500 duizend Donauschwaben te verdrijven, wat meer was dan de totale hoeveelheid Donauschwaben in Hongarije. Dit betekende dus dat de totale Duitse bevolking zou worden verdreven.
Verloop van de verdrijvingen
Van iedereen die werd verdreven uit Hongarije werd het Hongaarse burgerschap afgenomen en tot de verdreven behoorden ook vaak etnische Hongaren met een Duitse achternaam. Het afpakken van Hongaars burgerschap betekende dat deze mensen als vluchtelingen gezien werden en nu niet konden stemmen of hun vroegere staat om hulp konden vragen. Al het Duitse eigendom werd ingenomen en aan de staat gegeven, met als doel om de nu beschikbare grond open te stellen voor de Hongaren die uit Tsjecho-Slowakije verdreven werden. Dat nu alle Duitstaligen als nazi’s werden gezien - terwijl ze dat vaak niet waren en eeuwen lang in dat gebied geleefd hadden- ontkende het feit dat de Hongaren zelf ook jarenlang in dienst hebben gestaan van nazi-Duitsland. Vooral de communisten stonden sterk in hun wil om alle Donauschwaben uit Hongarije te verwijderen, zelfs dorpen die overweldigend marxistisch waren moesten ontruimd worden. De Donauschwaben werden uit hun huizen gehaald door soldaten en vooral per trein naar weggevoerd naar de Amerikaanse zone. Ze mochten 80kg kleding en 20kg eten meenemen, maar ze moesten dit echt zelf meenemen. De verdrijvingen verliepen in vergelijking met vele andere regio’s goed, maar de Amerikanen klaagden vaak over de slechte staat van de Donauschwaben toen ze in Duitsland aankwamen. Het kwam vooral vaak voor dat ze ziek waren, gescheiden waren van de rest van hun familie of nauwelijks iets van thuis hadden kunnen meenemen. Of er doden zijn gevallen is niet helemaal duidelijk, maar dit aantal zou niet eens in de buurt kunnen komen van de dodentallen bij de verdrijvingen uit Polen en Tsjecho-Slowakije.
Nasleep en perspectieven
Hongaren en Roemenen waren over het algemeen veel sympathieker tegenover de Duitsers, aangezien zij zelf ook onderdeel waren van de Asmogendheden. Dat betekende niet dat ze geen problemen hadden met nazi’s en andere ultranationalistische groeperingen, maar in tegenstelling tot andere bevolkingen werden niet alle Duitsers als nazi’s gezien. Na de oorlog kwamen beiden landen onder controle van de Sovjet Unie en op bevel van Stalin zouden alle Duitsers verdreven worden, of ze nou de nazi’s steunden of niet.