Voorgeschiedenis Volksduitsers in Oost-Europa
Rond het jaar 1200 waren het huidige Polen en Oost-Duitsland schaars bevolkt. Er leefden in het gebied zo’n 20 mensen per vierkante kilometer, de inwoners waren voornamelijk Slavisch en leefden semi-nomadisch. Het gebied bestond voornamelijk uit moerasland en dichte bossen, wat aantrekkelijk was voor ontginning. De mensen die er leefden hadden al wel een soort nederzettingen, maar van steden met Slavisch recht zijn geen sporen gevonden.
Vanaf de eeuwwisseling rond 1200 kwam er een nieuw marktsysteem op waarbij steeds meer mensen zich langs handelsroutes en markten gingen vestigen. Hierdoor kwamen er voornamelijk geschoolde Duitstalige en Nedersaksischtalige migranten naar de nieuwe handelsnederzettingen in het gebied.
Ook streefden landheren rond die tijd naar economische groei in hun landerijen, migranten konden zich makkelijker vestigen in de destijds schaarsbevolkte gebieden in huidig Polen en Oost-Duitsland en dit samen met het nieuwe marktsysteem was cruciaal voor de kolonisatie van Duitsers naar dit gebied. In de dertiende eeuw nam de bevolking van de oude westerse Duitse nederzettingen (de gebieden die al eeuwen Duits waren) enorm toe en er ontstond in het westen een agrarische revolutie, zo ontstonden er allerlei geavanceerdere landbouw werktuigen zoals onder andere molens en zeis met lange steel.
Veel kolonisten en landheren zagen in het schaars bevolkte land in het oosten veel mogelijkheden om het land te ontginnen en economisch te benutten, samen met de agrarische revolutie in het westen en het nieuwe marktsysteem gingen er dus veel mensen naar het schaarser bevolkte land in het oosten migreren. De landheren in de oostelijk gelegen gebieden zagen veel nut in de migranten en kolonisten; de landheren gingen de kolonisten ondersteunen doormiddel van privileges zoals het verlenen van grond in erfpacht, belastingvrijstelling en juridisch zelfbestuur.
Zo ontstonden er steden met Duits recht, dat verleend werd door de lokale landheer. De twee meest voorkomende Duitse rechten waren het Maagdenburgs en Lübecks recht. In deze stadsrechten werd onder andere het bestuur van de stad, belastingen en rechtspraak geregeld. Deze stadsrechten zorgden ervoor dat de kleine nederzettingen grote steden werden naar Duits model.
Voorbeelden van deze steden zijn: Praag en Brünn in het huidige Tsjechië en Krakau, Posen, Danzig en Breslau in het huidige Polen. Deze steden kregen te maken met veel kolonisten vanuit Duits gebied doordat de stadsrechten het aantrekkelijker maakte voor de kolonisten om zich te vestigen in het nieuwe gebied.
Al deze elementen leidden tot een Duitse migratiestroom naar het oosten die in fases verliep waarin de Duitsers langzamerhand in de meerderheid kwamen. Toch is de oorspronkelijke, voornamelijk Slavische en Baltische bevolking blijven leven in deze gebieden, zo ontstonden er gemengde gemeenschappen met Duitsers en de oude bevolking.
Verschillen en overeenkomsten tussen Volksduitsers in de verschillende gebieden
De Volksduitsers bevonden zich niet op één plek, in bijna heel Oost-Europa waren ze te vinden. Het leven van Volksduitsers en hun situatie in het buitenland valt dus ook niet over één kam te scheren. Er bestond bijvoorbeeld een groot verschil tussen de Sudeten-Duitsers die 90% van de bevolking uitmaakten in bepaalde gebieden in Tsjecho-Slowakije en Volksduitsers in Polen die op een boerderij leefden tussen alle etnische Polen. Om dit verschil te onderzoeken gaan wij eerst de situatie voor Volksduitsers in al deze gebieden apart beschrijven. Nadat we dit gedaan hebben kunnen we goed kijken naar de verschillen en hieruit conclusies trekken die later in ons onderzoek erg belangrijk kunnen zijn.
Polen
Het huidige Polen is het belangrijkste gebied waar Duitsers zich zijn gaan vestigen, onder andere omdat het huidige Duitsland niet zou bestaan zonder Pruisen, een gebied dat volledig ten oosten van de Oder-Neisse ligt. De provincies Silezië, Pruisen, de Oostmark van Brandenburg en het grootste deel van Pommeren waren grote delen van het Duitse Rijk, nu liggen die gebieden in Polen en een klein deel in Rusland (Kaliningrad), Litouwen (Memelland, thans Klaipeda) en Tsjechië (klein deel van Silezië).
De Duitsers die hier leefden kunnen om de reden dat ze binnen Duitsland vielen als Rijksduitsers gezien worden, toch behandelen we ze omdat ze na de Tweede Wereldoorlog buiten de Duitse grenzen vielen. Ook zijn er genoeg Duitsers die bijvoorbeeld rond het gebied van Posen (thans Poznan) en Warschau woonden, die hebben het grootste gedeelte van de geschiedenis wel buiten de Duitse grenzen geleefd en zijn dus zeker Volksduitsers.
Vanaf circa 1300 vestigden Duitse migranten zich voornamelijk in stedelijke centra in Noord en West-Pruisen, zoals Danzig, Thorn en Breslau. Deze steden kregen stadsrechten volgens Duits recht, zoals Lübecks of Magdeburgs recht, die privileges boden op het gebied van bestuur, rechtspraak en handel. Hierdoor ontstond een stabiele Duitse stedelijke elite, terwijl het platteland grotendeels Slavisch bleef. De Duitse Orde, die grote delen van Noord-Pruisen beheerste, versterkte de organisatie en macht van de Duitse bevolking in deze regio en zorgde voor de vestiging van dorpen en kerken, waardoor Duitse taal en cultuur stevig werden verankerd. De steden profiteerden ook van hun aansluiting bij de Hanze, een handelsnetwerk van Noord-Europese steden, wat hun economische positie versterkte en hen tot belangrijke centra van handel en productie maakte. Vanaf de 15e eeuw nam de culturele en economische interactie tussen Duitse stedelingen en Poolse elites toe. Duitse steden fungeerden als centra van handel, kunst en architectuur in Renaissancestijl, wat leidde tot uitwisseling van kennis en cultuur, zonder dat de Duitse dominantie in de stedelijke context werd aangetast. Met de vorming van het Pools-Litouwse Gemenebest in 1569 ontstond een van de grootste staten van Europa, waarin Duitse steden binnen West- en Noord-Pruisen hun autonomie, dual samenleving en culturele identiteit behielden. Economisch bleven deze steden verbonden met de Hanze, en Duitse stedelijke elites hadden aanzienlijke politieke invloed, terwijl het platteland grotendeels Slavisch en katholiek bleef. Dit zorgde voor een duale samenleving waarin Duitse invloed vooral stedelijk geconcentreerd was. Tussen 1772 en 1795 vonden de delingen van Polen plaats, waarbij grote delen van West-Pruisen, Silezië en Pommeren onder Pruisisch bestuur kwamen. Duitse bevolkingsgroepen werden nu formeel onderdeel van de Pruisische staat, wat hun politieke en economische positie versterkte, terwijl Poolse elites hun autonomie verloren.
In de 19e eeuw voerde Pruisen actief Germanisatiebeleid, waarbij Duits de taal van onderwijs, administratie en rechtspraak werd en Poolse cultuur en taal onder druk kwamen te staan. Tegelijkertijd vonden meerdere Poolse opstanden plaats, waarin de Poolse bevolking streed voor autonomie en culturele erkenning, wat de spanningen tussen Duitse overheersers en Poolse gemeenschappen vergrootte. Daarnaast stimuleerde Pruisen Duitse kolonisatie in het oosten, vooral op landbouwgebied, waardoor nieuwe Duitse dorpen en landerijen ontstonden. Dit verstevigde de aanwezigheid van Duitse boeren en hun connectie met stedelijke elites.
Tot 1900 bleef de Duitse bevolking geconcentreerd in steden en administratieve centra, waarbij taal, onderwijs en religie centraal stonden in het behoud van hun culturele identiteit. Tegelijkertijd groeide onder de Poolse bevolking een sterk nationalistisch bewustzijn, wat etnische spanningen versterkte. Rond 1914 nam het nationalisme in zowel Poolse als Duitse gemeenschappen verder toe, waarbij Duitse elites hun dominante positie probeerden te behouden en Poolse nationalisten streefden naar culturele en politieke autonomie. Deze spanningen vormden de achtergrond voor conflicten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog en markeerden het einde van een lange periode van stabiele Duitse stedelijke dominantie.
Tsjecho-Slowakije (Sudeten-Duitsers)
Met Sudeten-Duitsers worden de Volksduitsers bedoelt die in een gebied in Tsjecho-Slowakije woonden langs de grens met Duitsland. Dit zijn de grensgebieden van Bohemen, Moravië en Tsjechisch Silezië. Ze zijn hier terechtgekomen ten tijde van grote agrarische veranderingen en urbanisatie rond het jaar 1300. Ook later kwamen er vanuit het Habsburgse Rijk grote migratie stromen die gebieden in, met overwegend etnisch Duitse volken. In de eeuwen die volgden ontwikkelde zich hier een eigen cultuur en gemeenschap sterk verwant aan het etnisch Duitse, overwegend katholiek, met een Duits dialect. De Sudeten Duitsers richtten zich lange tijd op landbouw en mijnwerken, maar als gevolg van de industrialisatie in de 19de eeuw veranderde Sudetenland in een sterk geïndustrialiseerd landschap met efficiënte landbouw en een grote hoeveelheid mijnen. Sudetenland was dus een economisch en politiek erg belangrijk gebied binnen het Tsjechische gebied.
Gevolgen van de Eerste Wereldoorlog
Na de Eerste Wereldoorlog viel het Habsburgse Rijk uiteen en vele etnische minderheden grepen daarbij de kans om een eigen natie te stichten. Eén van de landen die hieruit ontstond was Tsjecho-Slowakije, waarin zich het Sudetenland bevond. Van de populatie was 22.9% nu etnisch Duits, Tsjecho-Slowaakse nationalisten grepen hierbij de kans om de circa 500-jarige dominantie van de Duitse minderheid op de Slavische meerderheid om te draaien. De Sudeten-Duitsers reageerden hierop door op te roepen voor autonomie. Ze wilden dat in de vorm van onafhankelijkheid (het stichten van een eigen natie) of aansluiting bij Duitsland of Oostenrijk. In 1919 vonden er stakingen plaats georganiseerd door de Sudeten-Duitse sociaaldemocratische partij. Het Tsjecho-Slowaakse leger greep hard in en er vielen aan Sudeten-Duitse zijde 54 doden.
Economische achteruitgang van Sudeten-Duitsers
De Sudeten-Duitsers waren doordat ze (in het vergelijking met de rest van Tsjecho-Slowakije) in een enorm geïndustrialiseerd gebied leefden bovengemiddeld welvarend en bezaten hierom ook veel grond. De Tsjecho-Slowaakse overheid zocht een manier om deze buitenproportionele welvaart van onder andere de Sudeten-Duitsers te verdelen over het hele land, met als voornaamste doel om de Slavische bevolking financiële stabiliteit te bezorgen. De Sudeten-Duitsers werden enorm hard getroffen door deze maatregelen, etnische Duitser die dus 22.9% van de bevolking uitmaakten kregen slechts 4.5% van het herverdeelde land. Ook de Beurskrach en de werkloosheid die het veroorzaakte in het sterk geïndustrialiseerde Sudetenland had een grote impact op de welvaart van Sudeten-Duitsers. De positionering van Sudetenland aan de grens van Tsjecho-Slowakije en Duitsland betekende dat grote hoeveelheden leefgebied van Sudeten-Duitsers moest worden omgebouwd tot verdedigingslinie tegen Duitsland. Zij werden hier goed voor gecompenseerd, maar al deze gebeurtenissen droegen wel bij aan een gevoel van onrecht.
Sudetenland voegt zich bij het Duitse Rijk
Mede vanwege deze economische achteruitgang en een sterk gevoel van verbintenis aan Duitsland waren vele Sudeten-Duitsers voor een aansluiting van Sudetenland bij het Duitse Rijk. Dit was onder andere te zien in de massale steun voor de fascistische Sudeten Duitse Partij met als oprichter Konrad Henlein, met meer dan 1,25 miljoen stemmen. Met steun van Konrad Henlein voegde Hitler in september 1938, in het verdrag van München, Sudetenland en daarmee meer dan 3 miljoen etnische Duitsers bij het Duitse Rijk, waarvan velen sterk nationalistisch waren. Niet veel later brak Hitler dit verdrag en voegde hij ook de rest van Tsjechië bij het Duitse Rijk. Mede vanwege deze samenvoeging en steun voor Nazi Duitsland werd de verdrijving van de Volksduitsers uit Tsjecho-Slowakije na de Tweede Wereldoorlog als rechtvaardig gezien, maar velen van hen waren zich niet bewust van de enorme misdaden die Nazi-Duitsland zou plegen in de loop van de oorlog.
Hongarije
De eerste golf van etnische Duitse volkeren trok Hongarije binnen in de 13de eeuw, doordat Duitse boeren uitgenodigd werden om op vruchtbaar Hongaars grond te werken. Het grootste deel van de Volksduitsers is echter pas in Hongarije terecht gekomen tijdens de heerschappij van het Habsburgse Rijk over Hongarije. Vooral in steden langs de Donau leefden veel Volksduitsers die Donauschwaben genoemd werden. De benaming “Donauschwaben”, komt van de rivier de Donau en het Duitse Zwabische dialect gesproken in de zuidwestelijke regio van Duitsland genaamd Zwaben. Er kwamen veel Volksduitsers te wonen in deze steden doordat er een herbevolking nodig was na Ottomaanse plunderingen en geweld. Een grote meerderheid van de Donauschwaben was katholiek.
De positie van de Volksduitsers in Hongarije
De Volksduitsers in Hongarije bezaten autonome rechten en vooral in steden waren Volksduitsers vaak welvarender dan de Hongaren. De repopulatie van Buda en Pest met Zwabische Duitsers na de plunderingen van de Ottomanen zorgde ervoor dat de Volksduitsers een sterke positie kregen in de economisch belangrijke steden. De Volksduitsers zagen Hongarije als hun thuis en waren tevreden met hun positie in het land. De Volksduitsers werden daarentegen rond het einde van de 19de eeuw steeds sterker beïnvloed door Duitse en Oostenrijkse nationalistische ideeën, het gevoel van een thuis in Hongarije verdween hierdoor niet, maar er ontstonden wel culturele verschillen tegenover de etnisch Hongaarse bevolking. Dit leidde tot een sterke aanhang van Volksduitsers voor rechtse partijen die spraken tot de wensen van de Zwabische minderheid.
Opkomst van het Ultranationalisme
Na een mislukte communistische staatsgreep in 1919 kwam de ultra-nationistische Miklós Horthy aan de macht. Dit leidde tot conflict tussen het Hongaarse nationalisme en de tot Duitsland gerichte nationalistische ideeën van de Volksduitsers. De positie van de Volksduitsers in Hongarije werd gegarandeerd doordat Hongarije tijdens de Tweede Wereldoorlog erg afhankelijk was van het Duitse Rijk, niet alleen op militair, maar ook op economisch gebied.
Joegoslavië
Net zoals in Hongarije immigreerde het voornaamste deel van de Volksduitsers naar leegstand vruchtbaar grond, om daar een agrarisch bestaan op te bouwen. Dit werd in de 18de eeuw gestimuleerd door het Habsburgse Rijk die een groot gedeelte van het toekomstige Joegoslavië bezat. Ook hier komen de Volksduitsers voornamelijk uit de zuidelijke Zwaben regio en waren ze daardoor overwegend katholiek. In de gebieden dicht bij Hongarije werden de uit Zwaben afkomstige Volksduitsers net zoals in Hongarije “Donau-Zwaben” genoemd. De Zwabische Duitsers die in zuidoostelijke gebieden terecht kwamen werden “Banaatzwaben” genoemd, verwijzend naar de Banaat regio vooral gelegen in het huidige Servië en Roemenië. De immigratiestroom duurde voort tot de val van het Habsburgse Rijk in 1918, waarna Joegoslavië als onafhankelijke staat ontstond. De Donauzwaben waren overwegend katholiek en brachten hun eigen cultuur met zich mee.
Positie van de Volksduitsers in Joegoslavië
In de 18de eeuw kregen de eenmaal in Joegoslavië aangekomen Volksduitsers enorm veel steun in de vorm van gratis vee en gereedschap om een agrarisch leven op te bouwen. Ook kregen ze wettelijke voordelen, wat hun hielp een grote welvaart op te bouwen. Als gevolg werden de Volksduitsers in Joegoslavië zoals in andere regio’s welvarender dan de etnische meerderheid. Hele gebieden waar Volksduitsers leefden werden cultureel Duits, ook de Duitse taal werd in veel regio’s belangrijker dan de etnische taal van de regio. Dit laat zien dat de Volksduitsers in Joegoslavië nauwelijks assimileerden en dit creëerde een duidelijke breuk tussen de Duitse minderheid en Slavische meerderheid. Ook geloof speelde hierbij een belangrijke rol, in gebieden waar voornamelijk Orthodoxe Serviërs leefden werden Rooms-katholieke kerken gesticht. Dit droeg bij aan een gevoel van Duits imperialisme in Joegoslavië onder de Slavische bevolking.
Na de Eerste Wereldoorlog
Vanaf het jaar 1918 werden er in Joegoslavië soortgelijke maatregelen getroffen als in Tsjecho-Slowakije waarbij welvaart herverdeeld werd om ongelijkheid en daarmee vooral armoede bij de Slavische bevolking tegen te gaan. Ook hier werd daarmee indirect de Volksduitse minderheid die overwegend een stuk welvarende was dan de Slavische meerderheid hard geraakt. Dit leidde tot een sterk gevoel van onderdrukking bij de Volksduitsers, dit gevoel werd mede gebruikt om de Volksduitsers in Joegoslavië te nazificeren. Maar ook na deze maatregel bleef de welvaart van de Volksduitsers enorm groot en daarmee ook hun macht in Joegoslavië. De Zwabische Georg Weifert, een van de bekendste Joegoslaven, was hier een voorbeeld van. Hij speelde in het begin van de 20ste eeuw een enorme rol als economisch expert en president van het Servische parlement.
Nazificatie van de Volksduitsers
De nazificatie van de Joegoslavische Volksduitser is duidelijke te zien aan de hand van de Kulturbund. De Kulturbund begon als bond voor de Duitse minderheid in Joegoslavië en werd door de leiding van de bond die banden kreeg met de nazi partij steeds verder genazificeerd, totdat het in 1939 werd opgenomen in een nazistische netwerk onder leiding van Himmler. Ongeveer 60% van de Volksduitsers was lid van de Kulturbund, dit laat zien dat een groot deel van de Volksduitse bevolking aanhanger was van nazi-Duitsland.
Roemenië
De eerste Volksduitsers in Roemenië kwamen vanaf de elfde eeuw in Transsylvanië (Zevenburgen) terecht, ze fungeerden als een geïsoleerde buffer voor de Hongaren tegen Ottomaanse agressoren. In ruil voor bescherming tegen de Ottomanen zouden de Volksduitsers veel autonomie krijgen.
In tegenstelling tot de andere gebieden waar Volksduitsers zich vestigden, waren de Duitsers in Roemenië niet alleen boeren, maar werd er geprobeerd een samenleving op te bouwen met Volksduitsers in allerlei rollen. Ook kwamen deze Volksduitsers niet per se allemaal uit de Zwaben regio, maar vanuit alle hoeken van het Duitse Rijk. Ondanks deze enorme diversiteit werden ze allemaal gezamenlijk Transsylvanië (Zevenburger) Saksen genoemd. Afgeleid van de Hongaarse naam voor Duitsers “Saksen” en de regio Transsylvanië. Ook in Transsylvanië, net zoals de meeste andere regio’s in Europa waar Duitsers werden uitgenodigd, wordt de Duitse minderheid welvarender dan de oorspronkelijke meerderheid. Dit kwam mede door de hulp en wettelijke voordelen die de Duitsers kregen om ze naar dit gebied te krijgen en een redelijke kans te bieden om een bestaan op te bouwen.
Transsylvanië behoort bij het Ottomaanse Rijk
Na de slag bij Mohács in 1526 waarbij het Hongaars Habsburgse Rijk verdeeld raakte behoorde Transsylvanië, in de vorm van een sterk autonome staat, tot het Ottomaanse Rijk. Als gevolg vluchtte een enorm deel van de Hongaarse en Duitse bevolking uit Transsylvanië naar het Westen. Maar er vluchtten ook een groot aantal Roemenen vanuit Ottomaans bezet gebied naar het erg autonome Transsylvanië. De Roemeense bevolking in Transsylvanië steeg hierdoor en het verschil in welvaart tussen de Roemenen en Saksen nam daarop af.
Terug bij het Habsburgse Rijk
In de 17de eeuw nam het Habsburgse Rijk veel grondgebied weer over na meerdere overwinnen tegen het Ottomaanse Rijk. Na vele jaren van oorlog was Transsylvanië evenals vele andere gebieden die onder Ottomaanse bewind vielen enorm leeg. De oplossing was, net zoals veel regio langs de Donau, het importeren van enorme hoeveelheden Duitsers uit de Zwaben regio. Ze kregen veel steun en extra rechten zodat ze een goed leven konden opbouwen en de regio weer zou bloeien. Ook hier ontstonden veel spanningen door de enorme welvaart van de Duitse minderheid ten opzichte van de Roemeense en Hongaarse meerderheid. Na de eerste wereldoorlog werd Transsylvanië onderdeel van Roemenië.
Nazi aanhang
In Roemenië kwam na de Eerste Wereldoorlog extreemrechts al snel aan de macht, waarmee ultranationalistische ideeën en antisemitisme definitief de norm werden in het land. Deze overtuigingen waren al lange tijd sterk aanwezig in Roemenië, maar mede vanwege de opkomst van het fascisme en hulp van nazi-Duitsland groeide de haat. Roemenië werd een van Hitlers grootste bondgenoten gedurende de oorlog en met het uitvoeren van de Holocaust. Er wordt geschat dat door de Roemenen minstens 380 duizend Joden en 11 duizend Roma gedood werden. Zelfs de Duitse SS-officieren waren bezorgd over de enorme hoeveelheid van ongecontroleerde massamoorden.
Russische Rijk/Sovjet-Unie
Duitsers in een groot land als Rusland zijn niet een coherente groep; men kan ze daarom beter onderverdelen in meerdere groepen. Zo zijn er de Baltische Duitsers die meer gemeen hebben met Pruisische Duitsers, omdat ze zich als gevolg van de noordelijke kruistochten (12de en 13de eeuw) hebben gevestigd in de huidige Baltische staten. Deze groep benoemen we apart aangezien ze wezenlijk verschillen met andere Volksduitsers in Rusland. Een andere groep zijn de Duitsers in Oekraïne, Wit-Rusland en Europees-Rusland die door Tsarina Catharina de Grote (Tsarina van Rusland, 1762-1796) naar Rusland werden gehaald, zoals de Wolga-Duitsers. Ook gaan we in op de Duitsers die in de uithoeken van Rusland en de Russosfeer (invloed gebied van de Russische cultuur) zijn gaan vestigen, zoals de deportaties onder Stalin naar Siberië en Kazachstan.
Wolga-Duitsers
De belangrijkste van de Rusland-Duitsers zijn de Wolga-Duitsers, daar gaan we het meest op in, maar we benoemen ook kort de Wit-Russische Duitsers en de Zwarte Zee-Duitsers. De Rusland-Duitsers zijn in contrast met de andere groepen pas in de achttiende eeuw uit Duitsland vertrokken, terwijl de andere groepen dat al in de Middeleeuwen hadden gedaan, dit maakt de Rusland-Duitsers dus erg anders. Ze leefden echter wel net als de meeste Volksduitsers afgescheiden van de Russische bevolking en als boeren.
Vestiging van Duitsers in Rusland
De Duitse kolonisatie naar Rusland begon in 1763 met een manifest van Tsarina Catharina de Grote. In dat manifest werden Duitse boeren en ambachtslieden uitgenodigd om zich langs de Wolga te vestigen, dit gebied was schaarsbevolkt (iets wat eeuwen geleden ook in het huidige Polen het geval was) en de Tsarina wilde deze gebieden economisch stimuleren en de landbouwproductiviteit opschroeven. Hier kregen de Duitsers privileges zoals zelfbestuur, een aantal jaar vrijstelling van belasting en ook hun taal, cultuur en religie werden toegelaten. De eerste kolonisten kwamen uit verschillende delen van Duitsland, zoals de Palts, Hessen en Württemberg. Deze kolonisten organiseerden zich meteen heel goed, zo stichtten ze gestructureerde dorpen met kerken, scholen en landbouwgrond met een geplande verdeling van de grond. Deze kolonisatie bleek vanuit Russisch perspectief een groot succes te zijn en hierdoor werden Duitsers ook uitgenodigd om zich op andere locaties te gaan vestigen in het Russische Rijk. Dit waren voornamelijk gebieden in Zuid-Rusland en huidig Oekraïne, ook deze groepen kregen dezelfde privileges als de Wolga-Duitsers.
Russische Rijk tot aan de Eerste Wereldoorlog
Wat al deze kolonies gemeen hadden was dat ze erg op zichzelf waren, en veel belang hechtten aan hun Duitse komaf, zo werden kolonies vaak naar dorpen genoemd waar ze zelf vandaan kwamen. Deze migratiegolf zorgde voor een goed gestructureerde Duitse minderheid in Rusland, die economisch en cultureel zelfstandig was. In de achttiende en negentiende eeuw groeiden de dorpen uit tot florerende gemeenschappen. De Duitse gemeenschap groeide enorm in de negentiende eeuw, ze waren heel zelfvoorzienend met hun eigen cultuur en zelfbestuur, ze leefden onder de Russen en Oekraïners, toch bleven ze erg op zichzelf. Toch werden de gemeenschappen in deze tijd onderdeel van de regionale handelsnetwerken en sommige Duitse families kregen ook meer invloed, ook in het bredere Rusland. De stabiliteit van de Duitse gemeenschap is vooral te wijten aan het feit dat ze door schoolinstellingen de volgende generaties ook lieten opgroeien met de Duitse cultuur. Religieuze instellingen als kerken hielpen hier ook erg aan mee. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw ontstond er een nationaal bewustzijn in Rusland, iets wat overal in Europa destijds gebeurde. Door de Russificatie werden scholen verplicht Russisch te geven en kwamen er Russen hoge functies overnemen; dit zorgde wel voor weerstand binnen de Duitse gemeenschap, toch bleven de Duitsers hun autonomie wel bewaren voor het grootste gedeelte.
Communistische periode tot aan de Tweede Wereldoorlog
Na de Russische Revolutie in 1917 ontstonden er voor de vele volkeren autonome gebieden (ASSR), dit was ook het geval voor de Wolga-Duitsers. In 1924 werd de Wolga-Duitse Autonome Socialistische Sovjetrepubliek opgericht als een autonoom gebied binnen de Russische Sovjetrepubliek. In dit gebied werden de Duitse taal en het bestuur officieel toegestaan in het kader van beleid gericht op nationale minderheden.
De communistische politiek van collectivisatie en centralisatie had echter vergaande gevolgen voor de Volksduitsers. Onder het communistische bestuur verloren boeren veel van hun privébezit doordat land wordt samengevoegd in collectieve boerderijen en economische zelfstandigheid werd ondermijnd. Traditionele Duitse landbouwgemeenschappen werden gedwongen om hun geïsoleerde dorpsleven op te geven en deel te nemen aan collectivisatie- en industrialisatieprogramma’s. Hierbij werden landbouwers vaak van hun land weggehaald om op collectieve boerderijen te werken, en sociale structuren zoals kerk en gemeenschap raakten meer en meer ontwricht.
Onder deze druk daalde de bevolking van de Wolga-Duitse gemeenschap aanzienlijk en namen spanningen met de Sovjetunie toe. De autonomie van de ASSR en de culturele eigenheid van de Wolga-Duitsers bleven bestaan tot kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, maar de politieke en economische stabiliteit was al significant verzwakt door het Stalinistische beleid van collectivisatie en centralisatie.
Tweede Wereldoorlog en erna
Na de Duitse inval in de Sovjetunie in 1941, werden alle Duitse bevolkingsgroepen collectief verdacht van collaboratie met Nazi-Duitsland. Wolga-Duitsers, Duitsers van de Zwarte Zee en uit Oekraïne en Wit-Rusland werden massaal gedeporteerd. Ze werden in honderden groepen in vrachtwagens en treinen naar afgelegen gebieden gestuurd, zoals Siberië, het noorden van Kazachstan en andere uithoeken van de Sovjetunie. In deze nieuwe gebieden werden de Duitsers vaak onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest: ze kregen weinig tot geen voedsel of kleding, de huizen waren primitief of moesten zelf worden gebouwd, en velen leden onder het extreme klimaat van Siberië of de steppe van Kazachstan. Ze werden gedwongen te werken op collectieve boerderijen, in mijnen of in zware industrie, en hadden nauwelijks vrijheid om hun dorpsgemeenschappen of scholen in stand te houden. Het leven was hard en velen stierven door ziekte, ondervoeding of de zware arbeid. Toch wisten sommige Duitse gemeenschappen hun taal, geloof en tradities in beperkte mate in stand te houden, vaak in kleine dorpen of door geheime bijeenkomsten. Na de dood van Stalin in 1953 mochten sommige Duitsers terugkeren uit de kampen, maar velen bleven permanent in Siberië, Kazachstan of andere afgelegen gebieden.
De meeste zijn in de uithoeken van Rusland en Kazachstan gebleven en hebben een hybride Russisch-Duitse cultuur ontwikkeld. Toch ging een deel van hen in de jaren ’80 en ’90 weer contact zoeken met Europees-Rusland. Ook na de val van de Sovjet-Unie keerden velen terug (na vele generaties) naar Duitsland.
Baltische Staten
De Baltische Duitsers zijn zich op een bijzondere manier gaan vestigen in de Baltische gebieden. In plaats van migratie of op uitnodiging van landheren zijn ze zich voornamelijk met geweld gaan vestigen tijdens de Noordelijke Kruistochten (12de en 13de eeuw) tegen de laatste heidenen in Europa. De volkeren waartegen voornamelijk gestreden werd waren de Balten (Letten, Pruisen en Litouwers) en de Esten. De Esten werden voornamelijk vanuit Denemarken gekerstend, de Balten door de Duitsers.
De Balten leefden aan de Oostzee en op orde van de Paus moest dit gebied gekerstend worden, hiervoor werden speciaal de Duitse Orde en de Orde van de Zwaardbroeders ingezet. De Duitse Orde maakte gebruik van geweld door bijvoorbeeld burchten te stichten waar Duitsers zich met geweld vestigden en zo de omliggende gebieden te kunnen kerstenen. De Pruisen (een Baltisch volk) raakten op deze manier geassimileerd met de Duitsers en hun eigen cultuur en taal verloren ze volledig. De Letten en Esten werden onderworpen door de Orde van de Zwaardbroeders die de macht kreeg over deze gebieden. Toen in 1236 de Orde van de Zwaardbroeders opging in de Duitse Orde en Denemarken hun Estse gebieden verkocht aan de Duitse Orde was de Duitse overheersing een feit, de gebieden die oorspronkelijk van de Orde van de Zwaardbroeders waren werd nu de Lijflandse Orde genoemd. In de Lijflandse orde gold het Duitse recht en waren er veel bisschoppen die touwtjes in handen hadden. Door de Duitsers werden steden als Riga en Reval (thans Tallinn) gesticht. Binnen de Lijflandse Confederatie vormden de Duitse Orde, bisschoppen en steden een netwerk van macht waarbij Duits recht en de Duitse taal dominant waren, en steden zoals Riga en Reval belangrijke Hanzesteden werden. De Duitsers werden in de Baltische gebieden de bovenklasse, de adel, dit is een totaal ander fenomeen dan wat je zag in Polen en vrijwel alle andere gebieden waar de Duitsers voornamelijk boerenkoloniën stichtten. De volgende 700 jaar vormden de Duitsers de bovenklasse dit zag je terug in rechtsspraak en handel, zoals de Hanze. Deze Duitse bovenklasse bleef ook tijdens de Zweedse (17de en begin 18de eeuw) en later Russische tijd (vanaf 18de eeuw tot 1918, en van 1940 tot 1991) doorgaan als machtsfactor in de Baltische gebieden, dit terwijl de Duitse bevolking nooit boven de 10% van de totale bevolking kwam.
Reformatie en grootmachten
Na de oorlog tussen het gemenebest Polen-Litouwen en de Duitse Orde begin vijftiende eeuw verloor de orde haarmachtspositie in de Oostzee voor een vrij groot deel. Toen de laatste grootmeester van de Duitse Orde bekeerde naar het Lutheranisme in 1525 was dat een grote klap voor de Duitse Orde als staat (ze bestaat nog steeds als Katholieke orde, maar bezit geen land). De Duitse steden en adel omarmde het Lutheranisme en werd daarmee het eerste land dat overging voor het protestantisme. Ondanks deze radicale verandering bleef de Duitse elite haar politieke en economische macht behouden. In de tweede helft van de zestiende eeuw werd het Balticum vanuit Rusland aangevallen door Tsaar Ivan de Verschrikkelijke. Dit wordt de Lijflandse Oorlog (1558-1583) genoemd en de Duitse Orde verloor als gevolg daarvan grote gebieden. Het Balticum werd opgedeeld, Zweden lijfde Estland en het noorden van Letland in en het zuiden kwam in handen van Pools-Litouwse gemenebest. Ondanks het grote verlies van de Duitse Orde bleven de Duitsers hun politieke en economische macht behouden. Tijdens de zeventiende eeuw ging Zweden zijn macht vestigen in Estland en noordelijk Letland. De Zweedse koningen voerden moderniseringsmaatregelen in, maar de Duitse adel kon vrijwel ongehinderd zijn positie behouden. Zo hielden Duitse baronnen hun politieke macht, maar ook de Duitse taal bleef wijdverspreid in het recht en administratie van steden. Dus ook met een nieuwe overheersende macht behield de Duitse bevolking haar macht. Na de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) kwam er een einde aan de Zweedse overheersing; Rusland veroverde onder de Tsaar Peter de Grote onder andere Lijfland en Estland; het gebied werd geannexeerd door Rusland. Ook nu weer behielden de Baltische Duitsers hun macht en privileges. Zo hadden ze grote autonomie en beheerden ze hun eigen landgoederen en hadden ze hun eigen rechtsspraak en bestuur in hun gebieden. Ondanks dat ze veruit in de minderheid waren in het Balticum bleef de Duitse taal dominant in onderwijs en administratie. In de negentiende eeuw, de eeuw van de opkomst van het nationalisme groeide het nationale bewustzijn van de Esten en Letten. Deze bevolkingsgroepen wilden ook inspraak in hun eigen gebied en streefden naar culturele en politieke gelijkheid. In deze tijd werd ook voor het eerst actie ondernomen om de Duitse macht in te perken. Zo werden er pogingen gedaan tot Russificatie: Russische taal werd verplicht in het onderwijs en de regering. Er ontstonden spanningen tussen de inheemse bevolking en de Baltische Duitsers; enerzijds wilden de Duitsers hun rechten en privileges behouden, terwijl de lokale bevolking juist gelijkheid wilde. De negentiende eeuw legde de basis voor grote veranderingen in de twintigste eeuw waarin de Baltische Duitsers geconfronteerd zouden worden met nieuwe staten, oorlogen en uiteindelijk massale verhuizingen.
Overige Duitsers buiten Duitsland
Naast de grote Volksduitse groepen in Oost-Europa bestonden er ook Duitstalige gemeenschappen die niet door kolonisatie, maar door grensveranderingen buiten Duitsland terecht waren gekomen. De belangrijkste hiervan waren de Elzasduitsers in Frankrijk en de Duitsers in de Oostkantons van België.
Duitsers in de Elzas (Frankrijk)
De Elzasduitsers woonden al sinds de vroege middeleeuwen in de Elzas en vormden een inheemse Alemannische gemeenschap. Het gebied wisselde meerdere keren van heerser tussen Duitsland en Frankrijk, maar de bevolking bleef cultureel grotendeels Duitstalig. Omdat zij niet door migratie waren ontstaan maar door verschuivende grenzen, waren zij wel Volksduitsers in de geografische zin, maar niet in de koloniale zin zoals in Polen of de Baltische landen. Tussen 1871 en 1918 én van 1940 tot 1945 stond de Elzas opnieuw onder Duits bestuur, maar uiteindelijk werd het duurzaam Frans, waarbij de bevolking tweetalig bleef.
Duitsers in de Oostkantons (België)
De Duitstalige Oostkantons (Eupen-Malmedy) kwamen pas in 1919 onder Belgisch bestuur als compensatie na de Eerste Wereldoorlog. De Duitse bevolking bleef gewoon wonen waar zij woonde, behield haar taal en kreeg later zelfs culturele autonomie. In tegenstelling tot Volksduitsers in Polen, Tsjechoslowakije of de Sovjet-Unie zijn zij niet verdreven na de Tweede Wereldoorlog; tot vandaag vormen zij een erkende Duitstalige gemeenschap binnen België.
Duitse diaspora
Tot slot is er de wereldwijde Duitse diaspora, zoals Duitse vestigingen in Noord- en Zuid-Amerika, in Roemenië (Banaat en Zevenburgen-Duitsers) en in kleinere gemeenschappen overal ter wereld. Deze groepen speelden echter een minder directe rol in het Oost-Europese Volksduitse vraagstuk en worden daarom slechts zijdelings genoemd.
Conclusie
Het blijkt dat de Volksduitsers uit verschillende gebieden geen homogene gemeenschap vormden, hoewel ze wel allemaal als etnisch Duits gezien werden. Er zijn duidelijke gelijkenissen te herkennen tussen de verschillende Volksduitse groepen. Toch bestonden er sterke verschillen in sociale positie, reactie op nationalisme, welvaart en hoe ze werden behandeld door de heersende staat. Vooral deze verschillen helpen ons met het verklaren van de positie van de Volksduitsers in gebieden en hoe de verdrijving van Volksduitsers verliep.
Een van de belangrijkste overeenkomsten tussen de Volksduitsers in de verschillende gebieden is hoe ze in het buitenland terecht zijn gekomen en economische bevoordeling die zij genoten. In de middeleeuwen verliep de migratie in de vorm van kolonisatie in Polen en Transsylvanië, militaire overheersing in de Baltische staten en bewuste uitnodiging door de lokale macht in Rusland, Hongarije en Joegoslavië.
In vrijwel alle regio’s werden de Volksduitsers door de lokale overheid sterk bevoordeeld om zo hen te helpen een leven op te bouwen, dit werd bijvoorbeeld gedaan in de vorm van gratis land, zelfbestuur en belastingvoordelen. Dit leidde ertoe dat de Volksduitse minderheid vaak welvarender was dan de lokale meerderheid, dit zorgde voor spanningen en later onbedoelde ongelijke behandeling van de Volksduitsers in de vorm van welvaarts-verdeling georganiseerd door lokale overheden. Ook bleven de Volksduitsers in veel gebieden sociaal en cultureel gescheiden leven. Onder andere Sudeten-Duitsers, Donauschwaben, Wolga-Duitsers en Baltische Duitsers hielden vaak vast aan hun eigen taal en hadden eigen faciliteiten zoals scholen en kerken. Dit zorgde voor een gedeeltelijk sociaal en cultureel isolement ten opzichte van de lokale bevolking en verklaart het ontstaan van culturele en vooral religieuze spanningen. Dit bracht in tijden van crisis de Volksduitse gemeenschap dicht bij elkaar maar zorgde bij de lokale bevolking voor wantrouwen en vijandigheid.
Belangrijke verschillen tussen de Volksduitsers in verschillende regio’s waren het percentage Volksduitsers in regio’s en de sociaaleconomische positie van de Volksduitsers. Deze factoren bepaalden reactie van de Volksduitsers op politieke veranderingen en de macht die ze in een staat bezaten. De Sudeten-Duitsers en Donauschwaben hadden lokaal een sterke meerderheid en bezaten enorm veel welvaart. Dit uitte zich in sterke politieke aanhang van het nationaalsocialisme en Volksduitsers op vele belangrijke posities. Tegengesteld hieraan leefden in bepaalde gebieden in Rusland, Polen en Joegoslavië vele Volksduitsers als minderheid in kleine boerenkolonies en hadden ze niet veel macht.
De Volksduitsers waren dus een combinatie van vele uiteenlopende gemeenschappen met gezamenlijke culturele wortels en overeenkomende problemen. Ze worden gekenmerkt door welvaart, isolatie, spanningen en nadelige beslissingen van de lokale overheden die leiden tot een sterk gevoel van slachtofferschap en een blijvende verbintenis met Duitsland. Dit is belangrijk om mee te nemen bij het kijken naar latere nazificatie en verdrijvingen.
Rol van de Volksduitsers in de Eerste Wereldoorlog en het interbellum
Tijdens de Eerste Wereldoorlog leefden de meeste Volksduitsers in Oostenrijk-Hongarije en het Russische Rijk. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog zouden ook vele Duitsers in Oostelijk Duits gebied Volksduitsers worden; met name in Polen ontstond een grote Duitse minderheid als gevolg van het Verdrag van Versailles. Deze breuk duidde een duidelijk keerpunt aan voor vele Volksduitsers die niet meer onderdeel waren van een groot imperiaal rijk. Het Verdrag van Versailles creëerde dus veel nieuwe Volksduitsers.
Rol van Volksduitsers in Oostenrijk-Hongarije tijdens de Eerste Wereldoorlog
Met 52 miljoen inwoners was Oostenrijk-Hongarije het na Rusland en Duitsland en meest bevolkte land van Europa en het had op Rusland na het grootse grondgebied. Dit maakte Oostenrijk-Hongarije een enorm belangrijke speler op het wereldtoneel ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. In Oostenrijk-Hongarije vormde de Duits talige bevolking met 32% van de bevolking een machtige grootste meerderheid met vele hoge posities in het leger en landelijk bestuur. De Volksduitsers speelden in de loop van de Eerste Wereldoorlog in vergelijking met de rest van de bevolking geen bijzonder grote rol. Wel waren ze de grootste minderheid en bezaten vele Volksduitsers belangrijke posities, daarom kun je de algemene acties en gedachtegang van de bevolking zien als die van de Volksduitsers.
Hoewel er binnen het rijk vele verschillende etniciteiten leefden was de steun voor de Habsburgse Keizer Franz Jozef (1830-1916) en later zijn neef Karel (1887-1922) de eerste jaren van de oorlog groot. Vooral in het Hongaarse deel van het rijk bestonden er wel spanningen tussen de Volksduitsers en Slavisch-Hongaarse bevolking, maar dit had geen grote gevolgen voor de oorlog. In de loop van 1918 was de oorlogsmoeheid op een nieuw hoogtepunt. Honger, vermoeidheid en invloeden van de Russische Revolutie waren samen met het militaire verlies tijdens de Grote Oorlog een breekpunt in de loyaliteit naar een gemeenschappelijk Oostenrijks-Hongaars Rijk. In de zomer van 1918 was het voor velen duidelijk dat deze oorlog niet in het voordeel voor de Centrale Mogendheden zou eindigen en vele verschillende etnische groepen grepen hun kans voorbereidingen te maken op de stichting van eigen staten. Karel probeerde tevergeefs het rijk bij elkaar te houden doormiddel van meer autonomie en goedkeuringen voor nationale raden, maar na het verlies van de oorlog was het behouden van het Oostenrijks-Hongaarse rijk al helemaal niet meer mogelijk.
Rol van Volksduitsers in het Russische Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog
De Volksduitsers in Rusland bevonden zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in een moeilijke positie, want Duitsland en Rusland waren vijanden. Vele Volksduitsers voelden zich zowelDuits als Russisch en dat maakte dit conflict dus erg lastig voor hen. Er ontstond een negatief beeld rond de Volksduitsers, aangezien er voor oorlogsdoeleinden veel propaganda verspreid werd die enorm negatief was over Duitsers. Vele Russen begonnen in de loop van de oorlog, en vanwege de propaganda die daaruit voortkwam, Duitse Russen meer als Duitse spionnen te zien dan als landgenoten. De Russische Volksduitsers begonnen steeds verder van de rest van de Russische bevolking af te staan. Een aantal Duitse Russen besloten vanwege alle haat en discriminatie een poging te wagen hun ware identiteit te verbergen, om zo hun normale leven te kunnen blijven voortzetten. Vele hoogstaande Duitse Russen vroegen toestemming om hun naam te veranderen en bijvoorbeeld de Russische achternaam van hun echtgenoot over te nemen, want alleen al een Duitse naam hebben zou een reden kunnen zijn om opgepakt te worden. Een voorbeeld hiervan was de Duitse Rus Andrei Bauer, die 3 maanden in de cel belandde voor ‘liefde voor Duitsland’ (Germanophilia in het Engels). Hij werd hiervan beschuldigd omdat hij soms Duits sprak en vroeger een diploma gehaald had in Duitsland, maar Andrei wist dat het om zijn etniciteit draaide. Zelfs steden en dorpen met Duitse namen kregen een andere naam; het bekendste voorbeeld hiervan is de stad Sint Petersburg die vanaf 18 augustus 1914 Petrograd heette. Ook deze hernoemingen van steden en dorpen taste de identiteit van vele Volksduitsers aan en dan spreken we nog niet over de grootschalige vervanging van de rest van de Duitse taal in Rusland.
Ook in het leger kregen Duitse Russen te maken met wantrouwen; ten eerste werden Volksduitsers alleen maar aan het Kaukasus front ingezet uit angst voor Duitse sympathieën. Ook werden Volksduitsers constant door mede-soldaten en legerleiding beschuldigd van verraad en Duitse sympathieën. Voor Volksduitsers voelde dit als enorm onterecht; ze leefden al heel lang in Rusland en gaven zich vaak vrijwillig op voor een positie in het leger. Voor vele Volksduitsers was een militaire onderscheiding een van de enige manieren om het respect van mede-soldaten en de rest van de samenleving te verkrijgen.
In het algemeen was dit een moeilijke tijd voor de Volksduitsers in Rusland. Ze wilden graag bij Rusland horen, maar vanwege vijandigheid vanuit het Russische Volk wisten ze niet meer wat nou hun volk was, waren het de Duitsers of toch nog wel de Russen?
De Volksduitsers tijdens het Interbellum
De Volksduitse ervaring tijdens het Interbellum werd vooral getekend door het Verdrag van Versailles, waarbij Duitsland enorme concessies moest doen en enorm veel Rijksduitsers zich opeens buiten het Duitse Rijk bevonden. Ook was de haat jegens Duitsers vanuit Geallieerde landen op een nieuw hoogtepunt vanwege de enorme hoeveelheid slachtoffers na de Eerste Wereldoorlog. De genoemde Rijksduitsers die zich opeens buiten het Duitse Rijk bevonden leefden vooral in het nu Poolse gedeelte van Duitsland dat moest worden afgestaan na de Eerste Wereldoorlog. Ook Oostenrijk-Hongarije viel met het Verdrag van Versailles uiteen, waarmee veel Volksduitsers zich opeens in een nieuwe staten bevonden
Na het Verdrag van Versailles ontstonden de nieuwe staten: Oostenrijk, Hongarije, Tsjecho-Slowakije en er werden delen toegevoegd aan Joegoslavië, Polen en Italië. Waar de Volksduitsers in Oostenrijk-Hongarije een welvarende meerderheid waren, zijn ze nu in verschillende, vooral Slavische staten verdeeld waar ze nu een minderheid vormen. Wel bleef de welvaart vergeleken met de Slavische meerderheid in de meeste landen erg hoog. En zoals in een eerder hoofdstuk bij een aantal landen is uitgelegd zal dat bij maatregelen die als doel hebben welvaart eerlijker te verdelen ertoe leiden dat veel Volksduitsers buitenproportioneel hard geraakt zullen worden en het gevoel zullen krijgen dat ze door hun lokale overheid benadeeld worden. Nazi-Duitsland zou daar in de loop van de jaren gebruik van maken om de Volksduitsers te nazificeren en daarmee buitenlandse steun vergaren. De verslechterde economische situatie in Europa als gevolg van de Beurskrach had lang een sterk effect op de bevolking, maar de militarisering van Duitsland in de jaren 30 zorgde voor enorm veel banen en een relatieve stijging in welvaart. In Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije zou dit leiden tot een sterk verlangen van de Volksduitse bevolking om bij het Duitse rijk gevoegd te worden, wat met de Anschluss van Oostenrijk en het verdrag van München werkelijkheid werd.
Reactie van de Volksduitsers op de opkomst van het Nazisme
De belangrijkste factor bij de verdrijvingen na de Tweede Wereldoorlog was de sterke nazificatie van een groot deel van de Volksduitsers. De nazificatie van alle Duitsers in Europa was voor de nazi’s enorm van belang en zou hen moeten helpen veroverde gebieden spoedig onder controle te krijgen of zelfs om vreedzaam regio’s zoals Sudetenland en Oostenrijk bij het Duitse Rijk aan te sluiten. Om de Volksduitsers te nazificeren was de verslechterde sociale en economische positie van de meeste Volksduitsers niet genoeg, maar het zorgde wel voor een onderdrukt en vijandig gevoel jegens onder de Volksduitsers. Vele Volksduitsers leefden zoals eerder benoemd redelijk afgesloten van de rest van de bevolking en waren overmatig slachtoffer van economische herverdelingsmaatregelen
De nazi’s hadden leiders van “Volksgruppen” in bijna elk Europees land en wilden daarmee constant de situatie van de Volksduitsers in de gaten houden. Ook hadden ze vaak controle over de lokale Duitstalige krant. Dit bleef niet bij Europa, zelfs bij landen in Noord- en Zuid-Amerika werd dit gedaan. In Argentinië bijvoorbeeld was er rond het einde van de oorlog een pro-Duitse regering aan de macht, die toevlucht bood voor veel nazi’s. In veel landen met een sterk aanwezige Duitse bevolking kwamen aan het einde van de jaren ‘30 veel ultranationalistische en nazistische partijen hoog in de peiling of kwamen ze na verkiezingen zelfs aan de macht. Dit laatste gebeurde in Hongarije en Roemenië, die tijdens de Tweede Wereldoorlog ook bij de Asmogendheden behoorden.
Nazi partijen in Europa
Niet alleen Volksduitsers werden sterk genazificeerd, in heel Europa ontstonden partijen die enorm leken op de NSDAP. Zo ontstonden in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije de DNSAP (Duitse Nationaalsocialistische Arbeiderspartij). De Oostenrijkse en Tsjecho-Slowaakse DNSAP zijn ontstaan uit voorheen arbeiderspartijen, maar met de groei van fascisme in Europa zijn ze dus de richting van de NSDAP gaan volgen. De Oostenrijkse DNSAP had niet veel steun gekregen en hield grotendeels op met bestaan in 1938. De Tsjecho-Slowaakse DNSAP had percentueel ook geen grote aanhang, maar een enorm groot deel van de stemmen kwam van de Sudeten-Duitsers. Deze partij werkte ook vaak samen met de DNP (Duitse Nationale Partij) en werd in 1933 verbannen. De Deense Nationaalsocialistische Arbeiderspartij (dus ook DNSAP) ontstond in 1930 en eiste meer gebied van Duitsland ten zuiden van Denemarken, wat meer Volksduitsers zou creëren. Dit laat zien dat deze partijen niet alleen de doelen van de NSDAP volgden, maar ook een eigen vorm van nationalisme opbouwden. Al deze partijen zouden in vergelijking met de NSDAP lang niet zo populair worden, maar ze laten zien dat ook in deze landen het Nationaalsocialisme een duidelijke positie had in de politiek, met groot dank aan de Volksduitsers.
Het is wel belangrijk om te onthouden dat vele Volksduitsers zich in een moeilijke tijd bevonden en daardoor het nationaalsocialisme, met de vele beloftes die het bracht, als enige uitgangspunt zagen voor een beter leven. Behalve de hoogste nazi-officieren waren vele nazi stemmers en zelfs partijleden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog niet bewust van de gruweldaden die de nazi’s vooral in Oost-Europa pleegden.
Rol van de Volksduitsers in de Tweede Wereldoorlog
Gedurende de Tweede Wereldoorlog reageerden verschillende groepen Volksduitsers erg verschillend op de oorlog. De nazi’s wilden graag een groot Duitse Rijk stichten en in de propaganda werd er veelvuldig gebruik gemaakt van het woord Volksduitsers, om aan te geven dat deze mensen thuishoorden in het Duitse Rijk, onder het motto: “Heim ins Reich”. Ook een belangrijk element van de nazi’s om de oorlog in essentie te starten was het verlangen naar Lebensraum, dit betekende dat het Duitse volk heel Midden en Oost-Europa tot haar beschikking moest krijgen. Ook dit slaat op het feit dat er in heel dit gebied al eeuwen aan Duitse gemeenschap en cultuur was, de Volksduitsers. Dus de Volksduitsers waren een essentieel deel van de nazipropaganda. De Volksduitsers zijn vervolgens na de Tweede Wereldoorlog van alle Duitsers misschien nog wel het meeste de dupe geworden van deze oorlog. De Volksduitsers werden door de nazi’s vaak gepresenteerd als één groep, dit is echter historisch gezien totaal niet zo.
Door deze verscheidenheid reageerden de Volksduitsers ook totaal verschillend op de oorlog. Waar sommigen de grootste aanhangers en uitvoerders van het nazibeleid waren, waren er ook velen die juist slachtoffer werden van de nazi’s. In de Baltische staten maakte hun historische positie hen aantrekkelijk voor nazipropaganda, die hen voorstelde als natuurlijke bondgenoten van Duitsland.
In Polen speelde de Volksduitse minderheid een zichtbare en controversiële rol vanaf het begin van de oorlog. Tijdens en direct na de Duitse inval van 1939 werden sommige Volksduitsers betrokken bij de Volksdeutscher Selbstschutz. Dit was een paramilitaire organisatie die samenwerkte met de Duitse bezettingsmacht. Deze eenheden namen deel aan onderdrukkende maatregelen, waaronder de vervolging van Poolse elites en Joodse gemeenschappen. Niet elke Volksduitser was echter actief betrokken: velen werden door de Deutsche Volksliste onder druk gezet om zich als ‘Duits’ te registreren, wat hen zowel privileges als verplichtingen opleverde en hun positie binnen de Poolse samenleving verder problematiseerde.
In Tsjechoslowakije, met name in het Sudetenland, stonden de Volksduitsers centraal in de vooroorlogse en oorlogspolitiek van nazi-Duitsland. De Sudeten-Duitsers werden door Hitler gebruikt als argument voor territoriale aanspraken, wat in 1938 bij het verdrag van München leidde tot de annexatie van het Sudetenland. Tijdens de oorlog namen sommige Sudeten-Duitsers bestuurlijke functies op zich binnen het bestuur van de Duitse bezetting, ook waren er velen die profiteerden van economische bevoordeling. Toch blijkt ook hier dat er ook sprake was van sterke interne verschillen: niet alle Volksduitsers identificeerden zich met het naziregime, maar na de oorlog werden zij collectief verantwoordelijk gehouden voor collaboratie met de nazi’s.
In Zuidoost-Europa, met name in Joegoslavië en Hongarije, werden Volksduitsers op grotere schaal militair ingezet. Donauschwaben werden gerekruteerd voor de Wehrmacht en vooral voor in de Waffen-SS, dit gebeurden vaak onder druk van de SS en organisaties als de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). Dat een hoofdbureau was van de SS dat verantwoordelijk was voor de hervestiging van etnische Duitsers (Volksduitsers), die buiten de grenzen van Duitsland leefden. Daarnaast hield het hoofdbureau zich bezig met de hervestiging van volledig Duitse nakomelingen van Germaanse kolonisten in de Sovjet-Unie en Oost-Europa in het Rijk. In deze regio’s raakten Volksduitsers niet alleen betrokken bij militaire operaties, maar ook bij bezettings- en veiligheidsstructuren. Dit leidde tot een sterke associatie tussen Volksduitsers en Duits geweld, iets wat later een belangrijke rol speelde bij de harde repressie en vervolging van deze groepen na 1944.
Binnen de Sovjet-Unie was de situatie echter totaal anders. Daar werden Volksduitsers, zoals de Wolga-Duitsers al vanaf het uitbreken van de oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie in 1941 collectief verdacht van mogelijke collaboratie. Zonder dat zij daadwerkelijk aan Duitse zijde hadden gevochten. Zo werden er honderdduizenden etnische Duitsers gedeporteerd naar Siberië en Centraal-Azië. Deze deportaties vonden plaats onder zware omstandigheden en maakten duidelijk dat Volksduitsers ook slachtoffers konden zijn van staatsgeweld, los van hun daadwerkelijke houding tegenover nazi-Duitsland.
De Baltische Duitsers namen binnen dit geheel zoals eerder ook al zichtbaar was een bijzondere positie in. Zij vormden eeuwenlang een culturele en bestuurlijke elite in Estland en Letland, maar hun geschiedenis nam een abrupt keerpunt na het Molotov–Ribbentrop-pact van 1939. In het kader van de Heim ins Reich-politiek werden de meeste Baltische Duitsers tussen 1939 en 1941 ‘gerepatrieerd’ naar Duitsland (deze Volksduitsers moesten dus van de nazi’s verhuizen naar Duitsland). Hun latere betrokkenheid bij de Duitse oorlogsinspanningen wordt onder meer zichtbaar in persoonlijke getuigenissen. In het boek en tevens serie De Stamhouder beschrijft Alexander Münninghoff hoe zijn vader, afkomstig uit een Baltisch-Duitse familie, diende in de Waffen-SS aan het oostfront. Hoewel dit een literaire en persoonlijke bron is, illustreert het overtuigend hoe ideologie, sociale druk en individuele keuzes samenkwamen in de oorlogservaringen van Baltische Volksduitsers.
Samenvattend kan worden gesteld dat de rol van de Volksduitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog sterk regionaal bepaald was en varieerde van actieve collaboratie en militaire deelname tot gedwongen betrokkenheid en zelfs slachtofferschap. Het naziregime maakte doelbewust gebruik van hun etnische identiteit, terwijl de lokale context vaak bepaalde hoe ver hun betrokkenheid reikte. Deze bijzondere rol verklaart mede waarom Volksduitsers na 1945 in vrijwel heel Oost- en Midden-Europa collectief verantwoordelijk werden gehouden en massaal werden verdreven.
Tijd tussen het eind van de Tweede Wereldoorlog en de verdrijvingen van de Volksduitsers
In de laatste maanden van 1944 en begin 1945 rukte het Rode Leger fors op in Oost-Europa, ze kwamen nu tot aan de Duitse grenzen, voornamelijk in Oost-Pruisen. De eerste mensen sloegen op de vlucht uit angst voor het Rode Leger die begin 1945 Oost-Pruisen dreigde te omsingelen; het ging voornamelijk om vrouwen, kinderen en ouderen die op de vlucht sloegen. Uit de verhalen blijkt dat deze evacuatie niet formeel georganiseerd was, maar voornamelijk chaotische vluchtpogingen waren om te ontkomen aan het geweld van het Rode Leger. Eind 1944 vluchtten de eerste mensen vooral over land, maar al vlug werd het daar te druk en gingen mensen over zee vluchten, vanuit Duitsland werd operatie-Hannibal gestart om de Oost-Pruisen te evacueren over zee. Hieruit kunnen we concluderen dat deze eerste vlucht van Volksduitsers naar het westen een reactie was op de snel oprukkende Sovjet-Unie die tijdens het zogenaamde Weichsel-Oderoffensief in januari 1945 in een enorm tempo vroegere Duitse gebieden veroverde. De burgers die op de vlucht sloegen vormden lange rijen, dit ging gepaard met heftige winterkou. De Sovjets zorgden ervoor dat een veilige doorgang vrijwel onmogelijk was.
Op 8 mei 1945 capituleerde Duitsland en was Europa bevrijd, echter gold deze bevrijding niet voor de Volksduitsers. De Duitse overheid had praktisch gezien haar macht totaal verloren en dus ook de macht om haar burgers te beschermen. De Volksduitsers leefden nu in een juridisch en praktisch vacuüm, vooral in gebieden als Pruisen, Pommeren en Silezië, deze gebieden vielen nu onder Pools of Sovjetbestuur. Het leven van deze mensen maakten een abrupte verandering mee, medische zorg en voedselvoorzieningen werden bijvoorbeeld afgesneden.
Ook geweld vanuit het Rode Leger zorgde voor totale angst en onzekerheid, dit was een belangrijke factor in de massale migratie en verdrijvingen van de Volksduitsers. Het einde van de Oorlog was voor hen het begin van grote onzekerheid die in de maanden daarop totaal zou escaleren. Van 17 juli tot 2 augustus werd het lot van Duitsland en de Duitsers bepaald (eigenlijk heel de naoorlogse Europese orde) tijdens de Conferentie van Potsdam, met de leiders van de overwinnaars: Stalin, Truman en Churchill. Een belangrijk onderwerp was de oostelijke gebieden van Duitsland. Van groot belang was het ontstaan van de (voorlopige) Oder-Neisse grens, dit maakte het zo goed als zeker dat de oostelijke gebieden niet meer Duits zouden zijn en ze vielen nu onder Pools of Sovjet-gezag. Ook werd er vastgesteld dat de Duitse bevolking zogenaamd “ordelijk en humaan” moest worden overgeplaatst naar het Duitsland dat Duits zou blijven. Dit was de juridische en politieke basis voor de verdrijvingen en waren dus het begin en de internationale toestemming voor de uitvoering ervan. Het besluit in Potsdam had ook praktische gevolgen: veel Volksduitsers bevonden zich nu in gebieden waar hun staatsburgerschap verviel. Dit leidde tot onrust en voorbereidingen op vertrek, nog voordat de eerste officiële deportaties begonnen.
Na de Conferentie van Potsdam begonnen de beslissingen van de geallieerden direct op lokaal niveau effect te krijgen, nog voordat de grootschalige verdrijvingen officieel begonnen. Zo werd bijvoorbeeld Oost-Pruisen opgesplitst in het noordelijke deel dat onder Sovjetbestuur kwam en het zuidelijke deel dat onder Pools bestuur kwam. Voor de overgebleven Duitse inwoners betekende dit dat zij hun Duitse staatsburgerschap verloren en zich in een juridisch onzekere positie bevonden. Deze periode werd gekenmerkt door politieke en sociale chaos: lokale autoriteiten moesten plotseling het bestuur van grote Duitse bevolkingsgroepen organiseren terwijl de infrastructuur door de oorlog grotendeels verwoest was. Duitse burgers werden geconfronteerd met tekorten aan voedsel en onderdak en veel Volksduitsers werden geïnformeerd dat zij het gebied zouden moeten verlaten zodra de officiële maatregelen werden ingesteld. De uitvoering van deze besluiten verschilde per regio en werd vaak beïnvloed door lokale omstandigheden en de aanwezigheid van het Sovjetleger.
De in Potsdam vastgelegde grenzen en beslissingen werden in de jaren daarop (1946-1947) juridisch en politiek verankerd door nationale wetgeving, onder andere in Polen en Tsjechoslowakije. De lokale overheden stelden interne decreten en regels op om de Duitse bevolkingsgroepen die nog aanwezig waren te beheren. In deze periode werden de voorwaarden voor de orde en humane uitvoering van bevolkingsverplaatsingen voorbereid: er werden administratieve lijsten gemaakt, transportroutes gepland en tijdelijke opvanglocaties aangewezen. Hoewel de daadwerkelijke grootschalige verdrijvingen pas later in 1946–1947 begonnen, was de basis gelegd voor wat een van de grootste bevolkingsverplaatsingen van de 20e eeuw zou worden.
Verloop van de verdrijvingen in de specifieke landen en gebieden
Net zoals bij de kolonisatie van de Volksduitsers liepen de verdrijvingen per gebied op hun eigen manier, toch zijn er meer overeenkomsten dan bij de kolonisatie. De verdrijvingen gebeurden allemaal na de Tweede Wereldoorlog en het gebeurde telkens om dezelfde reden: de Duitsers straffen om ‘hun oorlog’ en het kweken van homogene, meestal Slavische staten. We zullen net zoals we bij de kolonisatie de gang van de verdrijvingen opsplitsen in de regio’s die we al eerder hebben behandeld. Het gaat dan om Polen, Tsjechoslowakije, Balkan, Baltische staten, Sovjet-Unie en nog kort de overige Volksduitsers.
Rechts is een kaart van Oost-Europa afgebeeld waarin te zien is welke verdrijvingen er allemaal hebben plaatsgevonden in de eerste helft van de twintigste eeuw, daarop zijn bijvoorbeeld ook de Grieken en Turken te zien, maar wat erg opvalt zijn de enorme aantallen verdrijvingen in Sudetenland en West-Polen. De schaal en de manier waarop zullen we de komende kopjes uitgebreid behandelen.
Polen
Volksduitsers in Polen tijdens het Interbellum
In de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog leefden aanzienlijke Duitstalige minderheden binnen de grenzen van het nieuwe Polen. Dit was deels het gevolg van de grensverleggingen na 1918: gebieden zoals West-Pruisen, het oosten van Pommeren, het oosten van Silezië en de Vrije Stad Danzig waren voor 1918 grotendeels Duits of gemengd geweest. De Poolse Volkstelling van 1931 die door heel het land werd uitgevoerd toonde aan dat er van de totalen Poolse bevolking (~32 miljoen), bijna 741.000 etnische Duitsers in Polen waren. Zij waren verspreid over zowel voormalige Duitse gebieden als landsdelen die al langer tot Polen behoorden.
Gedurende het interbellum was de positie van deze Duitstalige gemeenschappen complex. Terwijl sommige Duitse Polen probeerden hun taal en cultuur te behouden, kwam er sterke nationale druk op onderdrukking en assimilatie. Dit paste binnen bredere Europese trends van natiestaten met homogene bevolkingssamenstellingen: verdragen na de Eerste Wereldoorlog hadden staten ertoe verplicht minderheden te beschermen, maar in de praktijk wisten nationale elites deze regels vaak te omzeilen als onderdeel van hun poging eenheid en staatsidentiteit te versterken.
Tegelijkertijd zorgden de spanningen in de grensgebieden voor toenemende polarisatie. Duitse organisaties in Polen kregen bijvoorbeeld steun van nazi-Duitsland na 1933 om Duitse minderheden “te helpen”, wat de relaties tussen Polen en hun Duitse inwoners verder verslechterde. Deze interbellumperiode legde de sociale en politieke basis voor latere conflicten: Duitse minderheden werden door Polen gezien als potentiële vijanden, wat na 1939 desastreuze gevolgen zou hebben voor hun veiligheid en positie in de staat.
Tweede Wereldoorlog en Lebensraum
De Duitse inval in Polen op 1 september 1939 markeerde het begin van een extreem gewelddadige periode voor de Duitse en Poolse bevolking. Het naziregime implementeerde het concept Lebensraum als ideologie, waarbij heel Oost- en Midden-Europa als Lebensraum voor het Duitse volk bestemd werd. Lebensraum was een van de belangrijkste elementen van de nazi-expansiepolitiek: het uitgangspunt dat het Duitse volk ruim territorium nodig had om te groeien, dit ging gepaard met een sociaal-Darwinistische rechtvaardiging van etnische verdringing en onderwerping van “inferieure” bevolkingsgroepen.
Tijdens de bezetting werden grote aantallen Polen verdreven, vermoord of onteigend om plaats te maken voor Duitse kolonisten. Het naziregime voerde grootschalige migratie- en kolonisatieprogramma’s uit, waaronder het Heim ins Reich-beleid, dat Duitsland probeerde uit te breiden door “etnische Duitsers” uit bezette gebieden samen te brengen en nieuw grondgebied te zuiveren van niet-Duitse bevolking. In gebieden zoals het Warschau-gouvernement werden massale deportaties van Polen en joden uitgevoerd. Duitse minderheden in Polen hadden uiteenlopende ervaringen: sommige werden gebruikt als administratief personeel of collaborateurs in nieuwe machtsstructuren, anderen leden juist onder het geweld van de oorlog, vooral wanneer zij geen duidelijke steun van Berlijn kregen of in gemengde gebieden woonden. Hoewel niet alle Volksduitsers actief deelnamen aan nazi-structuren, zorgde de perceptie van “Duitse minderheid = mogelijk collaborateur” ervoor dat hun latere verdrijving breed maatschappelijk werd geaccepteerd door Polen na 1945.
De verdrijvingen
Na de Duitse capitulatie in mei 1945 stonden Duitse minderheden in Polen voor een radicale afrekening. De Conferentie van Potsdam (juli-augustus 1945) gaf de geallieerden de bevoegdheid om de Duitse bevolking uit de voormalige oostelijke provincies van Duitsland (die nu aan Polen en de Sovjet-Unie vielen) “ordelijk en humaan” te herplaatsen. In de praktijk resulteerde dit in een massale etnische zuivering die een van de grootste bevolkingsverplaatsingen in Europa ooit werd.
Vanaf eind 1944 en in 1945 begonnen de eerste spontane vluchtgolven van Duitse burgers in gebieden die nu Pools werden. Eerst was er chaos, later steeds meer georganiseerde deportaties onder toezicht van de Poolse autoriteiten en het Rode Leger. Deze politieke beslissingen hadden twee doelen: enerzijds een etnisch homogener Polen te creëren, anderzijds de nieuw verkregen grondgebieden permanent Pools te maken (Oder-Neisse grens werd definitief).
In het voorjaar van 1946 waren er nog miljoenen Duitsers op Pools grondgebied. Om een herverdeling van de bevolking mogelijk te maken, voerde de Poolse regering een procedure in van verificatie van nationaliteit: mensen moesten aantonen dat zij Poolse staatsburgers waren en geen Duitse nationaliteit hadden. Degenen die niet slaagden werden aangemerkt als Duitsers en ter herplaatsing bestemd.
Tussen 1946 en 1948 werden deze deportaties systematisch uitgevoerd. Volgens demografische gegevens van die tijd werden miljoenen Duitse burgers of Duitse etnische minderheden uit de nieuw vergaren gebieden (ten oosten van de Oder de Neisse) verwijderd.
Tegen 1950 was het aantal nog in Polen verblijvende Duitsers drastisch gedaald tot slechts enkele tienduizenden.
Veel Duitstaligen werden direct op transport gezet naar de Britse, Amerikaanse of Sovjet-zone in Duitsland. Velen kwamen eerst terecht in tijdelijke internerings- of arbeidskampen zoals Potulice of Jaworzno, waar zij onder strenge omstandigheden verbleven vóór hun deportatie.
De houding van de Poolse bevolking en autoriteiten was vaak hard: Duitse huizen, bedrijven en culturele sporen werden systematisch gezuiverd, waardoor de historische Duitse aanwezigheid in steden als Breslau (nu Wrocław) vrijwel verdween. Hoewel de Poolse regering de verdrijvingen “ordelijk en humaan” noemde, bestonden er wijdverspreide gevallen van geweld, roof en discriminatie tegen de Duitsers, vooral in de vroege fase vóór internationale toezichthouders arriveerden.
Huidige Duitse gemeenschap in Polen en zichtbare cultuur
Hoewel de massale verdrijvingen vrijwel alle Volksduitsers uit Polen verwijderden, bleef er een kleine Duitse minderheid bestaan, vooral in de regio Opole (Oppeln) en andere delen van Silezië. Tegenwoordig maakt deze groep deel uit van de erkende nationale minderheden in Polen: volgens recente tellingen zijn er nog ongeveer 150.000–200.000 etnische Duitsers in Polen, met de grootste concentratie in de Opole-woiwodschap.
Deze Duitse gemeenschap heeft constitutionele bescherming gekregen en zet zich in voor het behoud van haar taal en cultuur. Zo bestaan er Duitstalige scholen, culturele verenigingen en media-initiatieven. Echter is de zichtbaarheid van Duitstalige cultuur veel minder dan vóór 1945: veel Duitse plaatsnamen zijn vervangen door Poolse varianten, en Duitse taal en instituties werden decennia lang gemarginaliseerd.
Vandaag de dag blijft de Duitse minderheid rond Opole een politiek en cultureel fenomeen: zij vertegenwoordigen een link met de pre-1945 geschiedenis van deze regio en fungeren als overbrugging tussen Polen en Duitsland in Europees perspectief.
Tsjecho-Slowakije (Sudeten-Duitsers)
In mei 1945 werd Tsjecho-Slowakije bevrijd van de nazi’s door de Sovjet Unie. Edvard Benes, president van Tsjecho-Slowakije keerde terug en kwam terecht in een gebroken land vol met haat jegens Duitsers. Dit was begrijpelijk, er waren namelijk honderd duizenden gestorven als gevolg van de Duitse bezetting. Maar de haat richtte zich niet alleen op Duitsers die de nazi’s steunden, naar alles en iedereen die Duits was werd met haat gekeken. De Tsjecho-Slowaken verdreven in een paar jaar tijd zo’n 28% van hun bevolking.
Deze verdrijvingen verliepen erg gewelddadig en chaotisch, velen werden jaren vastgehouden in doorgangskampen die door de nazi’s gebruikt werden om Tsjecho-Slowaakse Joden te identificeren voordat ze naar concentratiekampen werden gestuurd. De politie keek weg terwijl Duitse vrouwen werden verkracht en mishandeld omdat ze “nazi zwijnen” waren. Zelfmoord was ook veel voorkomend vanwege de verdrijvingen, volgens Sovjet rapporten zouden soms families die dachten alles verloren te hebben hun beste kleding aandoen en gezamenlijk zelfmoord plegen. Er stierven minstens 15 duizend etnisch Duitse burgers, waarvan velen nooit iets te maken hebben gehad met het fascisme.
Verloop van verdrijvingen
Na de Tweede Wereldoorlog leefden er 3.3 miljoen etnisch Duitse burgers in Tsjecho-Slowakije en er werd besloten om behalve 800 duizend, die tijdelijk nodig waren voor de wederopbouw, iedereen te verdrijven. Om de verdrijving te bevorderen werd het Benes vonnis uitgeroepen dat militairen en zelfs normale burgers het recht gaf om Duitsers uit hun huis te verdrijven en hun eigendom in beslag te nemen, zelfs fysiek geweld was toegestaan indien nodig. Hoewel overmatig geweld meerdere keren is vastgesteld en bestraft, werden volgens Sovjet bronnen de Duitsers als vee behandeld. Nadat deze mensen uit huis waren gejaagd werden ze vaak per trein naar de Amerikaanse Duitse zone gestuurd, zonder een groot deel van hun spullen. Zelfs hedendaags geldt het Benes vonnis nog en de Tsjechische overheid argumenteert dat die nou eenmaal een nodige maatregel was en dat de nazi’s veel erger hadden gedaan. In 1950 was er van de originele Duitse bevolking in Tsjecho-Slowakije nog maar 5% over. Een groot deel werd naar de Amerikaanse Duitse zone gestuurd, maar er werden ook 800 duizend naar de Sovjet Duitse zone gestuurd. In die Sovjet zone werden ze net zoals de andere Duitsers in Sovjet gebied enorm slecht behandeld.
Toen Sudetenland in 1938 werd overgenomen door Hitler werden vele antifascistische Sudeten-Duitsers in gevangenschap genomen. Na de oorlog keerden velen van hen terug naar Sudetenland, maar ook zij werden vrijwel meteen verstoten. De kleine hoeveelheid bewezen antifascistische Sudeten-Duitsers die mochten blijven werden als tweederangs burgers behandeld door de etnische bevolking, ze hadden bijvoorbeeld te maken met discriminatie.
Hongarije
In de zomer van 1945 was Hongarije en de rest van de Europese Asmogendheden compleet verslagen door de Geallieerden. Zuidelijke gedeeltes van Hongarije werden aan Joegoslavië gegeven en Transsylvanië met een grote hoeveelheid Volksduitsers werd aan het nu communistische Roemenië gegeven. Vanwege de ligging van Hongarije tussen de westelijke en communistische invloedssferen werd Hongarije lange tijd geregeerd door een gecombineerde Geallieerde commissie.
Ook de verdrijvingen van de Donauschwaben uit Hongarije werd daardoor in tegenstelling tot Tsjecho-Slowakije door de Geallieerden georganiseerd aan de hand van de conferentie in Potsdam. Het gevoel van wraak tegen de Duitsers bestond niet in dezelfde mate als in Polen en Tsjecho-Slowakije, aangezien Hongarije tijdens de Tweede Wereldoorlog samenwerkte met nazi-Duitsland. De schuld bij alle Duitsers leggen zou betekenen dat ook alle Hongaren schuldig zouden zijn aan wat hun regering had gedaan. Ook waren de Hongaren niet blij met het plan om een klein maar belangrijk gedeelte van de landelijke arbeidskracht te verdrijven. Maar nu de Geallieerden de controle hadden over Hongarije maakte het niet meer uit wat de bevolking vond. Volgens de conferentie van Potsdam moesten de Duitsers namelijk gewoon verdreven worden zoals in de meeste andere gebieden. Er wordt ingeschat dat er voor de verdrijvingen zo’n 470 duizend Donauschwaben in Hongarije leefden, hiervan waren er in 1949 nog maar 22 duizend over. De verdrijvingen verliepen in verschillende fases.
Eerste fase van de verdrijvingen: massa arrestaties door de Sovjets
De eerste fase is nog niet echt een letterlijke verdrijving te noemen, want er werden alleen nog maar Duitse en Hongaarse nazi aanhangers gearresteerd die direct te maken hebben gehad met de gruweldaden tegen de Joden. Er wordt geschat dat er in totaal 600 duizend Hongaarse burgers gearresteerd zijn door de Sovjets, hiervan zouden er ongeveer 50 duizend Duits zijn. Velen van hen belandden in Siberische Goelags en afgelegen gebieden in Kazachstan.
Tweede fase van de verdrijvingen: complete verdrijving van Donauschwaben
De tweede fase begon in januari 1946, waarbij het doel was om overgebleven Donauschwaben uit Hongarije te verwijderen. Hierbij ging het niet om de oorlogscriminelen, maar om burgers die een gewoon leven probeerden te leiden. De Sovjets hebben bij de Geallieerde Commissie toestemming gekregen om minstens 500 duizend Donauschwaben te verdrijven, wat meer was dan de totale hoeveelheid Donauschwaben in Hongarije. Dit betekende dus dat de totale Duitse bevolking zou worden verdreven.
Verloop van de verdrijvingen
Van iedereen die werd verdreven uit Hongarije werd het Hongaarse burgerschap afgenomen en tot de verdreven behoorden ook vaak etnische Hongaren met een Duitse achternaam. Het afpakken van Hongaars burgerschap betekende dat deze mensen als vluchtelingen gezien werden en nu niet konden stemmen of hun vroegere staat om hulp konden vragen. Al het Duitse eigendom werd ingenomen en aan de staat gegeven, met als doel om de nu beschikbare grond open te stellen voor de Hongaren die uit Tsjecho-Slowakije verdreven werden. Dat nu alle Duitstaligen als nazi’s werden gezien - terwijl ze dat vaak niet waren en eeuwen lang in dat gebied geleefd hadden- ontkende het feit dat de Hongaren zelf ook jarenlang in dienst hebben gestaan van nazi-Duitsland. Vooral de communisten stonden sterk in hun wil om alle Donauschwaben uit Hongarije te verwijderen, zelfs dorpen die overweldigend marxistisch waren moesten ontruimd worden. De Donauschwaben werden uit hun huizen gehaald door soldaten en vooral per trein naar weggevoerd naar de Amerikaanse zone. Ze mochten 80kg kleding en 20kg eten meenemen, maar ze moesten dit echt zelf meenemen. De verdrijvingen verliepen in vergelijking met vele andere regio’s goed, maar de Amerikanen klaagden vaak over de slechte staat van de Donauschwaben toen ze in Duitsland aankwamen. Het kwam vooral vaak voor dat ze ziek waren, gescheiden waren van de rest van hun familie of nauwelijks iets van thuis hadden kunnen meenemen. Of er doden zijn gevallen is niet helemaal duidelijk, maar dit aantal zou niet eens in de buurt kunnen komen van de dodentallen bij de verdrijvingen uit Polen en Tsjecho-Slowakije.
Joegoslavië
De nazi’s hebben in Joegoslavië enorm veel erge misdaden gepleegd, maar zoals in andere gebieden had een aanzienlijk deel van de Volksduitsers hier niks mee te maken. Toch keken de Joegoslaven hier anders naar en werden alle Duitsers en Hongaren als vijanden gezien van het volk en dus het land uit moesten.
Nazi aanhang
Anders dan in veel andere landen was een groot deel van de Volksduitsers in Joegoslavië deel van de Kulturbund, dat een pro-nazi standpunt inhield. Toen de Asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen had de Kulturbund ongeveer 300 duizend leden, wat een aanzienlijk deel van de totale 500 duizend Volksduitsers in Joegoslavië was. Dat is 60% van alle Volksduitsers die lid waren en daarmee werden nog niet eens alle Volksduitsers meegeteld die de ideeën van de Kulturbund steunden, maar geen lid waren.
Maar deze massale steun voor de nazi-ideologie kwam vooral voort uit de druk die de Volksduitse minderheid in Joegoslavië voelde. Dit kwam vooral door de politiek van koning Alexander I van Joegoslavië in de jaren 20; hij blokkeerde actief de autonomie van vele minderheden waaronder de Volksduitsers. Veel van de nazi partijen en de Kulturbund kwamen op voor die rechten waar andere Joegoslavische partijen dat niet deden, waardoor velen vanuit het belang van de rechten van de Volksduitsers nazi partijen aanhingen. Wel was het aandeel van de Volksduitsers dat bij de Weermacht of SS hoorde tijdens de bezetting met zo’n 20% enorm groot in vergelijking met andere landen. Een aanzienlijk deel van de Volksduitsers is dus ook actief onderdeel geweest van de gruweldaden die door de nazi’s in Joegoslavië gepleegd zijn. Een deel van dit lidmaatschap bij de Weermacht en SS kwam-voort uit een verplichting voor Volksduitsers in Joegoslavië om op een manier deel uit te maken van de nazi bezetting. Net als in andere regio’s en Duitsland zelf waren de nazi supporters zich niet bewust van de gruweldaden die de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog zouden plegen in Europa en hadden vooral de beloftes van de nazi’s enorm veel invloed gehad op de Duitse bevolking die het vaak zwaar had.
Generalisering van de Volksduitsers
Na de bevrijding van Joegoslavië beweerden veel socialisten dat de Volksduitsers Joegoslavië hadden verraden en al voor de invasie actief samenwerkten met de nazi’s. Maar er zien hier geen bronnen voor, zelfs de Kulturbund aanhangers hadden niet kunnen voorspellen dat Hitler Joegoslavië zou binnenvallen. Joegoslavië en Duitsland hadden al decennia lang een goede band die vooral gebaseerd was op handel, en het besluit van Hitler om Joegoslavië aan te vallen kwam voor bijna iedereen dan ook als een verrassing. Het is ook tijdens de bezetting meermaals voorgekomen dat Duitse kerkleden zich verzetten tegen de daden van onder andere de SS. Er waren dus ook zeker Volksduitse antinazi groepen in Joegoslavië, maar net zoals in veel andere regio’s werden ook zij verdreven vanwege hun Duitse etniciteit.
De verdrijvingen
Eind 1944 was Joegoslavië bevrijd van de nazi’s en kwam de socialistische Tito aan de macht en met de steun van het Rode Leger ging hij meteen aan de slag om nazi aanhangers te arresteren. Alle Duitsers en Hongaren werden verdacht van het steunen van de nazi bezetters en ze moesten daarom vrijwel allemaal in werkkampen geïnterneerd en daarna verdreven worden. Alleen als zeker was dat iemand actief tegen de nazi’s was of deel uitmaakte van de socialisten kon diegene uitgezonderd worden van deze verdrijvingen. Voor de rest werd iedereen, jong en oud, man of vrouw naar kampen gestuurd en verdreven. Voor de Duitse bezetting wordt en geschat dat er zo’n 500 duizend Volksduitsers in Joegoslavië woonden, wat ongeveer 4% van de totale bevolking was. Na de oorlog waren dit er minstens 200 duizend, een groot deel van de Volksduitsers die bang waren voor de consequenties van hun steun voor de nazi’s waren al voor de bevrijding naar Duitsland en Oostenrijk gevlucht. Sindsdien zijn er nog veel meer Volksduitsers verdreven, want tegenwoordig leven er vrijwel geen Volksduitsers meer in het gebied dat vroeger Joegoslavië was. Toen het Rode Leger arriveerde waren ze enorm wraakzuchtig vanwege alles dat de nazi’s de Sovjets hadden aangedaan. Ze plunderden, vermoordden en verkrachtten vele Volksduitsers terwijl officieren wegkeken. Ook moest Joegoslavië een aanzienlijk aantal Duitse en Hongaarse nazi aanhangers naar de Sovjet Unie sturen om daar in werkkampen geplaats te worden. Dit vervoer werd vaak gedaan met dezelfde treinen waarmee de nazi’s Joden naar concentratiekampen hadden afgevoerd. Bijna al het eigendom van de Volksduitsers werd ingenomen en herverdeeld om zo het socialistische Joegoslavië weer op te bouwen. En aangezien de Duitse minderheid in Joegoslavië disproportioneel welvarend was, was dit een behoorlijke hoeveelheid aan land, bedrijven en andere eigendommen.
Russische Rijk/Sovjet-Unie
De Rusland-Duitsers vormen een bijzondere groep Volksduitsers die zich onderscheidt van de oudere Duitse gemeenschappen in Oost- en Midden-Europa doordat ze pas vanaf de achttiende eeuw migreerden. Ze leefden voornamelijk als boeren en organiseerden zich in zelfvoorzienende dorpen, waarbij cultuur, taal en religie streng werden onderhouden. Belangrijke subgroepen zijn de Wolga-Duitsers, Zwarte ZeeDuitsers en Wit-Russische Duitsers. Hun geschiedenis verschilt wezenlijk van die van de Baltische Duitsers of de Sudeten-Duitsers, die al eeuwenlang een lokale elite vormden.
Tijdens de late negentiende en vroege twintigste eeuw nam de druk van Russificatie toe: scholen moesten Russisch onderwijzen en Russische functionarissen kregen hogere posities in het bestuur. Ondanks deze maatregelen wisten de Duitse kolonies hun autonomie grotendeels te behouden en hun cultuur door te geven aan volgende generaties. De Russische Revolutie en daaropvolgende collectivisatie verstoorden echter deze stabiliteit. Land werd geconfisqueerd en gemeenschappen moesten zich aanpassen aan de nieuwe politieke realiteit, waarbij veel Duitsers slachtoffer werden van repressie, gedwongen verhuizing of geweld.
1941-1953: Tweede Wereldoorlog en massadeportaties onder Stalin
Na de Duitse inval in de Sovjetunie in juni 1941 veranderde de situatie dramatisch. De Sovjetautoriteiten beschouwden alle Duitse bevolkingsgroepen- Wolga-Duitsers, Zwarte Zee-Duitsers en Duitsers uit Oekraïne en Wit-Rusland- collectief als potentiële collaborateurs met Nazi-Duitsland. Dit leidde tot grootschalige deportaties: honderdduizenden Duitsers werden in honderden transporten per trein of vrachtwagen naar afgelegen gebieden gestuurd, zoals Siberië, het noorden van Kazachstan en andere uithoeken van de Sovjetunie.
In deze nieuwe gebieden werden de Duitsers onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest. Ze kregen nauwelijks voedsel of kleding, moesten primitieve huizen bouwen of in bestaande barre omstandigheden wonen, en werden gedwongen te werken op collectieve boerderijen, in mijnen of in zware industrie. Dorpsgemeenschappen, scholen en religieuze instellingen konden nauwelijks in stand worden gehouden, waardoor culturele en sociale ontworteling optrad. Velen stierven door ziekte, ondervoeding of zware arbeid.
Toch wisten sommige gemeenschappen hun taal, geloof en tradities in beperkte mate in stand te houden, vaak via geheime bijeenkomsten of kleine dorpen.
Afloop na Stalin: Rehabilitatie en terugkeer
Na de dood van Stalin in 1953 veranderde het beleid geleidelijk (Destalinisatie). Een deel van de gedeporteerden mocht terugkeren uit de kampen, hoewel velen permanent in Siberië, Kazachstan of andere afgelegen gebieden bleven. In deze regio’s ontwikkelden ze een hybride Russisch-Duitse cultuur. Die cultuur verschilt van de Duitse cultuur, omdat het contact vrijwel verbroken was. Het is terug te zien in het dialect dat ze spreken. In 2002 gaf een groot deel van de 600.000 destijds wonende Wolga-Duitsers in Siberië aan een Siberisch-Duits dialect te spreken. (Wolga-Duitsers, 2026) Pas vanaf de jaren tachtig en negentig, na de versoepeling van Sovjet- en later Russische regels en de val van de Sovjetunie, konden veel Rusland-Duitsers terugkeren naar West-Rusland of Duitsland, vaak na vele generaties. De Russische Volksduitsers zijn hierdoor een unieke gemeenschap geworden, met een geschiedenis van zowel culturele zelfstandigheid als gedwongen migratie, die hen onderscheidt van andere Volksduitse groepen.
Roemenië
Vergelijkbaar met de Volksduitsers in Rusland werd een groot deel van de Volksduitsers vooral voor en tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland verplaatst en niet echt verdreven. Dit werd gedaan als gevolg van het Molotov-Ribbentroppact met Rusland. Een groot deel van de herplaatste Duitse werden in Pools gebied geplaats waar ze in huizen kwamen te wonen die waren afgepakt van de Polen.
Nazi aanhang
De Saksen steunden in de jaren dertig massaal allerlei nationalistische Duitse partijen die opkwamen voor hun rechten. Deze partijen haalden in Saksische gebieden tot wel 62% van de stemmen en waren dus erg populair. Hoewel deze partijen vaak erg nationalistisch waren, wilde geen van deze partijen gescheiden worden van Roemenië. Dit kwam doordat ze goed behandeld werden in Roemenië, wat voor de meeste Volksduitsers in andere gebieden niet het geval was. De massale aanhang van deze partijen door de Saksen werd later door de Sovjets gebruikt als bewijs dat de Volksduitsers in Roemenië vrijwel allemaal nazi sympathieën hadden, maar dit was niet waar. Net zoals in andere regio’s waren deze Duitse nationalistische partijen de enige partijen die opkwamen de Volksduitse minderheid en ze maakten veel beloftes aan de Saksen. Het was net zoals in Hongarije het geval was Roemenië als geheel dat had meegewerkt met de massale deportaties en moord van de Joden in Europa, niet alleen de Volksduitsers. Onder druk van nazi’s werden in het nu zwaar nationalistische Roemenië alle Duitse partijen gegroepeerd onder de nazistische Volksgruppe. Later werden ook nog eens alle Volksduitsers in Roemenië geregistreerd als lid van de Volksgruppe. Dit zorgde ervoor dat de Volksduitsers nu als een werden gezien met de nazi’s, wat na de bevrijding door de Sovjets grote gevolgen zou hebben. Onder druk van nazi-Duitsland werd een groot deel van Transsylvanië aan Hongarije gegeven en daarmee ook een groot deel van de Volksduitsers en zelfs veel Roemenen. Over het algemeen behoorden veel Volksduitsers in Roemenië nu officieel bij de nazi’s, ook al had een groot gedeelte van de Volksduitsers hier geen inspraak op.
De verdrijvingen
Veel Volksduitsers die te maken hadden met bijvoorbeeld de holocaust en andere gruwelijkheden waren voor de bevrijding van Roemenië al gevlucht, omdat ze al vermoeden dat het voor hun niet goed zou aflopen onder Sovjet bewind. Onder deze gevluchte Volksduitsers behoorde ook een aantal onschuldigen die bang waren dat de Sovjets wraak zouden willen nemen op de gehele Duitse bevolking.
Net zoals in Hongarije had de Roemeense bevolking geen wrok naar de Volksduitsers als geheel, aangezien zij zelf ook onderdeel waren van de Asmogendheden en de Duitse moordmachine die de Joden om het leven heeft gebracht. Dit zorgde ervoor dat de Duitse bevolking lang niet zo slecht behandeld werd in vergelijking met vele andere gebieden waar naar alles dat Duits was met haat gekeken werd. Onder bevel van Stalin moesten alle Duitsers uit Sovjet gebied verdreven worden naar Duitsland of aan het werk worden gezet in Sovjet werkkampen.
Maar deze doelen werden nauwelijks behaald vanwege een gevoel van broederschap vanuit de Roemenen naar de Volksduitsers en het feit dat een verdrijving desastreus zou zijn voor de al zwakke Roemeense economie
In 1948 was er van de originele Volksduitse bevolking na de verplaatsingen door Hitler en verdrijving verricht door de Sovjet nog maar de helft over. In de loop van de jaren is een groot aantal van deze Volksduitsers vrijwillig geëmigreerd, maar tegenwoordig zijn er nog steeds een redelijk aantal etnisch Duitse gemeenschappen te vinden in Roemenië. Zo leefden er in de Roemeense Banat regio voor 1945 bijna 400 duizend volksduitsers, tegenwoordig zijn dat er nog maar 30 duizend.
Baltische Staten
Het bijzondere aan de Baltische Duitsers is dat ze in plaats van normale boeren de bovenklasse waren zoals we eerder gezien hebben. Nog een belangrijk verschil is dat ze verdreven werden in de Tweede Wereldoorlog en ook nog eens door de Nazi’s zelf.
Interbellum en onafhankelijkheid van de Baltische staten
Na het einde van de Eerste Wereldoorlog en de val van het Duitse Keizerrijk bleven de Baltische Duitsers een kleine, maar invloedrijke elite in Estland en Letland. Ze vormden zoals eerder vermeld eeuwenlang de bestuurlijke en culturele bovenklasse. Ze bezaten aanzienlijke landgoederen en hadden een sterke aanwezigheid in stedelijke bestuursorganen. Hoewel hun aandeel in de totale bevolking minder dan 10% bedroeg, bleef de Duitse taal dominant in onderwijs, rechtspraak en bestuur.
De nieuwe staten Estland en Letland, probeerden echter nationale eenheid te bevorderen en de rechten van inheemse bevolkingsgroepen te herstellen. In de jaren twintig en dertig kwamen spanningen tussen de Baltische Duitsers en de lokale bevolking vaker aan het licht, vooral rond landhervormingen en politieke participatie. Tegelijkertijd bleven de Duitsers hun culturele en economische macht behouden, ondanks een groeiend nationalistisch bewustzijn onder Letten en Esten.
Tweede Wereldoorlog en het Molotov-Ribbentroppact
Met het Molotov–Ribbentrop-pact van 1939 veranderde de positie van de Baltische Duitsers ingrijpend. Het geheime protocol van het pact verdeelde Oost-Europa in invloedssferen van Duitsland en de Sovjet-Unie. De Sovjet-Unie kreeg het Balticum toegewezen. De nazi’s wilden alle Volksduitsers terughalen naar het Duitse Rijk als onderdeel van de “Heim ins Reich”-politiek. Dit betekende meestal dat de Duitse grenzen zouden opschuiven om zo de Duitsers onderdeel te maken van het Duitse Rijk, echter werd er om politieke redenen een andere koers gekozen met de Baltische Duitsers, ook hierin zijn zij dus weer erg verschillend ten opzichte van de andere Volksduitsers.
Vanaf 1939 begon de gedwongen repatriëring van de Baltische Duitsers. Duizenden families verlieten hun historische landgoederen, steden en huizen onder druk van Duitse organisaties en de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi). Deze evacuaties werden vaak gepresenteerd als een vrijwillige terugkeer, maar in werkelijkheid speelden politieke dwang en propaganda een grote rol. Voor velen betekende dit het verlies van hun erfgoed en een abrupte breuk met hun eeuwenoude maatschappelijke positie.
Fase 1 van de verdrijvingen: Organisatie en selectie
De eerste fase van de verdrijvingen was bureaucratisch georganiseerd. De VoMi en andere nazi-instanties stelden lijsten op van “geschikte” Volksduitsers voor hervestiging. Criteria omvatten etnische afkomst, politieke betrouwbaarheid en bereidheid om dienst te nemen in Duitse instellingen. Tegelijkertijd werden de minderheidsgroepen geïnformeerd dat hun toekomst veiliger zou zijn in het Duitse Rijk dan onder Sovjetcontrole. Vooral families met grootgrondbezit en invloedrijke posities werden vroegtijdig geëvacueerd. Deze fase legde de basis voor de grootschalige gedwongen verhuizingen die in 1940–1941 volgden.
Fase 2 van de verdrijvingen: Massale verplaatsingen 1940-1941
De tweede fase begon met grootschalige transporten van Baltische Duitsers naar gebieden in Polen en andere delen van het Rijk. Tussen 1939 en 1941 verlieten tienduizenden Duitsers hun huizen in Riga, Tallinn en andere steden. De verplaatsing verliep per trein en soms per schip, onder zware organisatorische druk. Families moesten hun landgoederen, bedrijven en culturele bezittingen achterlaten. In Duitsland werden ze vaak herverdeeld over voormalige Poolse gebieden, waar ze moesten integreren in Duitse landbouw- en industriële structuren. Dit markeerde een radicale verandering: van een eeuwenoude bovenklasse in het Balticum naar een gedwongen migrantenstatus in een door oorlog getroffen gebied.
Fase 3 van de verdrijvingen: Deelname aan de oorlog
Velen van de verplaatste Baltische Duitsers werden direct betrokken bij de Duitse oorlogsinspanningen. Persoonlijke getuigenissen, zoals beschreven in De Stamhouder van Alexander Münninghoff, laten zien hoe individuen, vaak onder sociale en ideologische druk, dienden in de Waffen-SS aan het oostfront. Deze fase toont aan dat de verdrijvingen niet alleen een kwestie van fysieke verplaatsing waren, maar ook van integratie in de Duitse oorlogslogistiek. Het combineerde verlies van woongebied met een actieve rol in het conflict, vaak tegen de Sovjet-Unie. Individuen moesten kiezen tussen samenwerking, overleven of gedwongen betrokkenheid.
Fase 4 van de verdrijvingen: Sociaal en cultureel verlies
Naast fysiek verlies ondergingen de Baltische Duitsers een enorme culturele ontworteling. Hun eeuwenoude invloed in het Balticum, van rechtspraak tot handel en onderwijs, werd abrupt beëindigd. Terwijl ze in Duitsland moesten integreren in nieuwe gemeenschappen, verdween hun unieke regionale identiteit grotendeels. Het verlies van sociale status en erfgoed had langdurige psychologische effecten op de overlevenden. De verdrijvingen waren een combinatie van politieke dwang, ideologische manipulatie en oorlogssituaties, waardoor de Baltische Duitsers niet alleen slachtoffers waren van externe machten, maar ook van het nazi-beleid dat hen zogenaamd zou beschermen.
Overig
Naast de grote Volksduitse gemeenschappen in Oost-Europa waren er ook Duitstalige bevolkingsgroepen die door grenswijzigingen na oorlogen buiten Duitsland terechtkwamen. Hun ervaringen met verdrijving en discriminatie verschilden sterk en waren meestal beperkter in schaal, maar tonen wel hoe Duitse afkomst na oorlogen problematisch werd.
Elzasduitsers (1918–1920)
Na de Eerste Wereldoorlog werd Elzas-Lotharingen in 1919 opnieuw onderdeel van Frankrijk. De Elzasduitsers waren geen migranten, maar een inheemse Duitstalige bevolking die al eeuwen in het gebied woonde. Toch beschouwde de Franse staat hen na de oorlog als politiek onbetrouwbaar. Op basis van loyaliteitsonderzoeken werden veel Elzasduitsers uitgesloten van publieke functies of gedwongen het gebied te verlaten. De Franse overheid probeerde het gebied snel te “verfransen” door het gebruik van de Duitse taal in onderwijs en bestuur terug te dringen. Hoewel deze verdrijvingen relatief kort duurden, hadden ze langdurige gevolgen voor de positie en identiteit van de Elzasduitsers.
Duitsers in Nederland (1945–1948)
In Nederland leefde vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog een kleine Duitse minderheid. Na de Duitse bezetting van 1940–1945 sloeg de publieke opinie sterk om. Duitse afkomst werd gelijkgesteld aan mogelijke collaboratie, ongeacht individuele schuld. Tussen 1946 en 1948 voerde de Nederlandse overheid Operatie Black Tulip uit, waarbij duizenden Duitsers uit Nederland werden verwijderd. Het ging om enkele duizenden mensen, van wie velen al jarenlang of zelfs generaties in Nederland woonden. Zij verloren vaak hun bezittingen en werden zonder uitgebreid juridisch proces gedeporteerd naar Duitsland. Hoewel deze verdrijvingen beperkt waren in vergelijking met Oost-Europa, tonen ze aan dat ook in West-Europa collectieve bestraffing op basis van etniciteit plaatsvond na de oorlog.
Plaats binnen het bredere Volksduitse vraagstuk
De ervaringen van Elzasduitsers en Duitsers in Nederland verschillen duidelijk van die van Volksduitsers in Polen, Tsjechoslowakije of de Sovjet-Unie. De verdrijvingen waren kleinschaliger en korter, maar illustreren hetzelfde mechanisme: na oorlogen werd Duitse identiteit gezien als een veiligheidsrisico. Ook hier werd weinig onderscheid gemaakt tussen individuele verantwoordelijkheid en collectieve afkomst.
De gebieden en bevolkingen na de verdrijvingen
Na de verdrijvingen van de Volksduitsers in de periode van 1945 tot 1948 ondergingen grote delen van Oost en Midden-Europa een fundamentele demografische en sociale transformatie. Deze gedwongen volksverplaatsing is de grootste uit de twintigste eeuw, waarbij tussen de 12 en 15 miljoen Duitsers uit hun woongebied vertrokken of werden verdreven. Dit zorgde voor enorme gevolgen in de getroffen gebieden op het punt van economie, cultuur en sociale structuren.
Het meest fundamentele verschil zijn wel de oostelijke provincies van Duitsland, Pommeren, Pruisen en Silezië, in deze gebieden die vrijwel volledig Duits waren vond een ware bevolkingsvervanging plaats. Deze gebieden werden opgevuld door Polen die zelf verdreven werden uit het oosten van voormalig Polen in wat nu Wit-Rusland en Oekraïne is. Deze behoorlijk snelle omvolking zorgde ervoor dat het gebied nu bewoond werd door mensen die totaal geen culturele of historische binding met deze gebieden hadden. Dit leidde er toe er veel lokale kennis verloren ging, alsmede economische ontwrichting en het verdwijnen van eeuwenoude sociale netwerken.
Een vergelijkbare gang van zaken vond plaats in het Sudetenland. Hier werden ook alle Duitsers gedeporteerd en was het gebied voor een periode totaal ontvolkt en omdat er niet meteen nieuwe mensen in het gebied zich gingen huisvesten, zoals in Polen door het verlies van hun eigen oostelijke provincies, moest de Tsjechoslowaakse overheid hun burgers stimuleren om zich er te huisvesten. De industrie viel grotendeels weg en het duurde jaren voordat de economie en industrie weer op het niveau van voor 1938 was. De verdwijning van de Duitstalige arbeidersklasse en stedelijke elites veroorzaakte een structurele breuk in de economische en culturele continuïteit van het gebied. Nog ingrijpender waren de gebeurtenissen in de Balkan en dan voornamelijk in Joegoslavië. Volksduitsers die nog niet op de vlucht geslagen waren werden in Joegoslavië onteigend en ingezet voor dwangarbeid. Al het bezit dat overbleef werd genationaliseerd en herverdeeld onder de Slavische bevolking of opgenomen in staatsbedrijven. Hierdoor verdwenen vrijwel alle sporen van de eeuwenlange Duitse aanwezigheid in culturele en materiële zin. Dit was een volledige breuk met het vooroorlogse verleden van deze regio’s.
Het meest ingrijpend was het leven voor de Volksduitsers zelf die hun een volledige breuk in hun levensloop ervaarden. In zowel Oost- als West-Duitsland arriveerden de meeste Volksduitsers met amper geld, zonder bezit en met zware trauma’s. In vooral West-Duitsland ontstond er een grote woningnood, sociale spanningen en integratieproblemen door de plotselinge toestroom van miljoenen vluchtelingen. Toch was deze toestroom niet alleen slecht, in het begin zorgde het voor veel druk op de lokale economie, maar op de lange termijn droeg het juist bij aan de economische en demografische groei van Duitsland.
Het zorgde ook voor diepe culturele en psychologische effecten. Veel Volksduitsers verloren niet alleen hun huizen, maar ook hun regionale identiteit, dialecten en gemeenschapsstructuren. Tegelijkertijd werd in de landen van herkomst lange tijd nauwelijks ruimte geboden voor erkenning van het Duitse verleden, omdat dit politiek gevoelig lag in het licht van de misdaden van nazi-Duitsland. Uit onderzoek blijkt dat deze ‘culturele stilte’ het verwerkingsproces aan beide zijden bemoeilijkte. Op de lange termijn zorgden deze verdrijvingen voor een totaal nieuw Europees landschap, waarin staatsgrenzen zichtbaarder waren dan ooit tevoren. Dit verminderde enerzijds etnische conflicten, maar anderzijds ging dit gepaard met ernstig menselijk leed en het verlies van eeuwenoude culturele diversiteit. De verdrijving van de Volksduitsers geldt daarmee als een historisch keerpunt dat laat zien hoe naoorlogse stabiliteit in Europa werd bereikt door middel van grootschalige gedwongen migratie, met blijvende gevolgen voor zowel de verdreven bevolkingsgroepen als de samenlevingen die hen opnamen.
Verschillende perspectieven in deze gebeurtenis
Net zoals bij andere grootschalige historische gebeurtenissen kunnen de verdrijvingen van de Volksduitsers niet vanuit één enkel perspectief worden begrepen. De gedwongen volksverplaatsingen na de Tweede Wereldoorlog raakten verschillende groepen op fundamenteel verschillende manieren. Wat voor de ene partij een noodzakelijke maatregel leek om stabiliteit en veiligheid te herstellen, werd door een andere groep ervaren als collectieve bestraffing en verlies van bestaanszekerheid. In dit hoofdstuk worden vier perspectieven onderscheiden: dat van de Volksduitsers zelf, dat van de Duitse Geallieerde overheden, dat van de lokale bevolking van de landen waaruit de Volksduitsers verdreven werden en dat van de uitvoerende overheden in Oost- en Midden-Europa.
Volksduitsers
Voor de Volksduitsers betekenden de verdrijvingen na de Tweede Wereldoorlog een grote breuk met hun hele bestaan. Miljoenen mensen verloren in die tijd hun huis, bezit, sociale status en vaak ook familieleden. Voor vele Volksduitsers was deze ervaring in hun ogen extra onrechtvaardig omdat zij zich niet als daders van de oorlog zagen, maar als gewone burgers die al generaties lang in hun woongebieden leefden. De verdrijvingen werden door hen ervaren als collectieve bestraffing, waarbij nauwelijks onderscheid werd gemaakt tussen actieve collaborateurs en mensen die geen enkele betrokkenheid hadden gehad bij het naziregime.
Uit persoonlijke dagboeken komt naar voren hoe chaotisch en traumatisch deze periode was. Een goed voorbeeld is het dagboek van Joanna Konopińska, een jonge Duitse vrouw uit Silezië, die haar ervaringen tijdens de verdrijving in 1945–1946 vastlegde. In haar dagboek beschrijft zij hoe haar familie onder dwang hun woonplaats moest verlaten en per trein werd afgevoerd, zonder duidelijke bestemming of informatie over wat hen te wachten stond. Zij heeft het over haar angst, onzekerheid en vernedering die gepaard gingen met de transporten en tijdelijke internering. Over de aankomst op een nieuw station schrijft zij dat de wagons in alle vroegte werden geopend en dat niemand wist waar men was of wat er zou volgen. Deze fragmenten laten zien hoe de verdrijvingen op individueel niveau vooral werden ervaren als complete rechteloosheid en ontworteling.
Veel Volksduitsers beleefden de verdrijving als een verlies van hun woonplaats en als een verlies van identiteit. Regionale culturen, dialecten en lokale gemeenschappen die soms eeuwen hadden bestaan, verdwenen in korte tijd. Vooral voor groepen zoals de Sudeten-Duitsers, Silezische Duitsers en Baltische Duitsers betekende dit het einde van een historisch diepgewortelde samenleving. In het dagboek van Konopińska komt dit sterk naar voren in haar beschrijvingen van verlaten huizen, achtergelaten meubels en familiegoederen die generaties lang waren doorgegeven, maar nu zonder afscheid moesten worden achtergelaten.
Daarnaast speelde ook angst voor geweld en willekeur een grote rol in de beleving van Volksduitsers. In de eerste fase van de verdrijvingen waren mishandelingen, plunderingen en vernederingen door soldaten of lokale milities geen uitzondering. Hoewel de verdrijvingen officieel als “ordelijk en humaan” werden gepresenteerd, tonen persoonlijke getuigenissen aan dat de werkelijkheid vaak heel anders was. Voor de betrokkenen voelde het proces zelden georganiseerd of rechtvaardig; het werd ervaren als een straf zonder proces.
Na aankomst in bezet Duitsland kwamen veel Volksduitsers terecht in een samenleving die hen niet altijd welkom heette. Zij werden vaak gezien als concurrenten op de woning- en arbeidsmarkt of zelfs als medeverantwoordelijken voor de oorlog. Het perspectief van de Volksduitsers is daardoor dat van mensen die zich tussen twee werelden bevonden: verdreven uit hun oorspronkelijke woongebied, maar ook niet volledig geaccepteerd in het naoorlogse Duitsland.
Inwoners van de andere landen
Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende voor veel landen en nieuw begin. Wat de nazi’s in Europa hadden aangericht was op een bizarre schaal. Hele landen lagen in puin en samenlevingen waren compleet ontwricht. In bijna ieder land was er nu een hatelijk wraakgevoel richting de Duitsers, of ze nou de nazi’s hadden gesteund of niet. Maar deze perspectieven verschilden wel per regio.
Polen
De Polen hebben van alle bezetten bevolkingen nog wel het meeste geleden, alleen al de 3 miljoen Poolse Joden die zijn afgevoerd door de nazi’s is een van de grootste misdaden van een land op een ander land in de geschiedenis van Europa. Het begon al bij de inval van Polen waar de Weermacht vaak niet de moeite wilde doen om Poolse krijgsgevangenen te nemen en besloten Poolse soldaat te executeren, ook werden Poolse soldaten soms als menselijk schild gebruikt door de Weermacht. Zelfs de soldaten die gevangen werden genomen werden enorm slecht behandeld in allerlei verschillende kampen. In de eerste maanden van de bezetting viel nog een andere grote misdaad plaats, namelijk het bijna compleet uitroeien van de Poolse elite doormiddel van moord en verdrijving naar kampen. Ook de normale Poolse burgers werden slachtoffer van geweld, de nazi’s baseerden dit op vermoedelijk samenwerken met het Poolse leger en geweld tegen Volksduitsers in Polen. Hier was vaak niks van waar, maar officieren keken weg terwijl complete dorpen leeggeroofd werden, met vaak als later doel om ruimte te maken voor Duitsers.
Met steden waar restanten van Poolse soldaten zich verzetten tegen de Duitse bezetting werd hardhandig afgerekend door de Duitsers. Na een periode van chaos werden langzamerhand de hiervoor genoemde Duitsers dit gebied in geplaats, de oorspronkelijke Poolse bevolking zag dit als de etnische vervanging van een heel gebied. Na de oorlog waren hierdoor vele Poolse burgers voor de verdrijving van alle Duitsers uit Pools gebied, sinds dit ook bij hen is gedaan aan het begin van de oorlog. Het is hierbij wel belangrijk om te weten dat een deel van de Duitsers die hier kwamen te wonen geen idee hadden van alles wat zich in Polen had afgespeeld en geloofden de woorden van de nazi’s dat dit gebied nou eenmaal tot Duitsland behoorde.
Tsjecho-Slowakije
De Tsjechische bevolking leed zwaar onder het bewind van SS-Gestapo hoofd Reinhard Heydrich en maakte een paar van de zwaarste gruweldaden van de Tweede Wereldoorlog mee, er werden onder andere tienduizenden Tsjechen opgesloten en geëxecuteerd in concentratie kampen. Na de moord op Reinhard Heydrich in 1942 door een Tsjechische nationalist kregen de Tsjechen nog meer te leiden en werden zelfs hele dorpen met de grond gelijk gemaakt. De Sudeten-Duitsers hadden hier niet onder te leiden en werkten in Duitse fabrieken voor betere lonen dan ze in een onafhankelijk Tsjecho-Slowakije zouden hebben gekregen. Mede vanwege deze de gruweldaden van de Duitsers en het feit dat de Sudeten-Duitsers daar niet onder geleden hadden zagen de Tsjechen het als rechtvaardig om meer dan 3 miljoen etnische Duitsers uit Tsjechië te verdrijven.
Hongarije en Roemenië
Hongaren en Roemenen waren over het algemeen veel sympathieker tegenover de Duitsers, aangezien zij zelf ook onderdeel waren van de Asmogendheden. Dat betekende niet dat ze geen problemen hadden met nazi’s en andere ultranationalistische groeperingen, maar in tegenstelling tot andere bevolkingen werden niet alle Duitsers als nazi’s gezien. Na de oorlog kwamen beiden landen onder controle van de Sovjet Unie en op bevel van Stalin zouden alle Duitsers verdreven worden, of ze nou de nazi’s steunden of niet.
Joegoslavië
De nazi’s zagen de Slavische bevolking als tweederangs burgers ten opzichte van de Joegoslavische Volksduitsers, die in vergelijking met andere landen sterk genazificeerd waren. Tijdens de bezetting door de nazi’s zijn honderden duizenden Joegoslavische Joden naar kampen afgevoerd en complete dorpen vernield. Een van de bekendste Duitse bevelen was dat voor elke Duitse burger of soldaat die vermoord werd door een Joegoslaviër er 100 Slavische burgers gedood zouden worden. Vanwege dit decreet zijn onder andere de steden Sutjeska, Nikšić, Kaljevo en Neretva compleet uitgeroeid. Het ging hierbij om tienduizenden Slavische burgers sinds het begin van de bezetting. Dit alles zorgde ervoor dat de Slavische bevolking in Joegoslavië een haat ontwikkelde jegens alles en iedereen die Duits was.
Het Russische Rijk en de Baltische Staten
De Volksduitsers leefden in het Russische Rijk geen bijzonder welvarend bestaan zoals in vele andere regio’s en hun positie in de Russische samenleving was daardoor ook niet bijzonder. Dit veranderde met de inval van nazi-Duitsland in 1941; Volksduitsers werden massaal gezien als potentiële collaborateurs en naar allerlei afgelegen gebieden binnen de Sovjet-Unie verplaatst. De nazi’s hadden in Russische bezetten gebieden een paar van de ergste misdaden gepleegd van de Tweede Wereldoorlog en enorm veel Russische Joden vermoord. De oorlog op het Oostfront na het verraad door de nazi’s heeft tientallen miljoenen Russische levens gekost. De misdaden die het Rode Leger hebben gepleegd bij verovering van gebied met Duitse burgers waren op een even erg niveau als de ergste misdaden van de nazi’s gedurende de oorlog. Ze werden er volgens bronnen in de laatste maanden van de oorlog ongeveer 2 miljoen Duitse vrouwen verkracht, waarvan een deel zelfmoord pleegde.
Ook de Volksduitsers in de Baltische Staten ontsnapten niet aan dit geweld en werden ondanks hun grotere welvaart en belangrijkere positie binnen de lokale samenleving vergeleken met de plattelandse Volksduitsers in Rusland ook massaal verdreven en vermoord. Na de overwinning op de Duitsers werden onder bevel van Stalin massaal alle Volksduitsers uit Sovjet gebied verdreven naar Duitsland of in Sovjet werkkampen aan het werk gezet onder enorm slechte omstandigheden. Na het overlijden van Stalin werd dit beleid wel enigszins teruggedraaid.
Conclusie
De positie van de Volksduitsers was in grote delen van Europa erg goed, dit kwam door voordelen die ze ontvingen vanuit de overheden om op die manier een goed leven te kunnen opbouwen en de immigratiestroom vanuit Duitsland te blijven of doordat ze met handel een machtige positie wisten te verwerven. De Volksduitsers vormden in veel regio’s een welvarende minderheid met een belangrijke landelijke economische positie. Alleen in delen van het Russische Rijk leefden de Volksduitsers niet heel welvarend en grotendeels in boerengemeenschappen. De positie van de Volksduitsers veranderde aanzienlijk sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog. Dit kwam mede door grondverlies van Duitsland, waardoor er nog meer Volksduitsers zijn ontstaan in het huidige Polen. Ook werd de etnisch Duitse meerderheid in het voormalige Oostenrijk-Hongarije opgesplitst in meerdere kleinere staten waar ze nu vaak een minderheid vormden met minder rechten dan voorheen. Pogingen van overheden om de welvaart beter te verdelen hadden buitenproportioneel veel effect op de welvaart van de welvarende Volksduitsers en dit creëerde voor velen een gevoel van discriminatie. Het feit dat Volksduitsers vaak in afzondering leefden van de rest van de bevolking met hun eigen taal en faciliteiten creëerde een gevoel van vervreemding tussen de Volksduitsers en de rest van de bevolking. Met de opkomst van het nationaalsocialisme werd ook een deel van de Volksduitsers die zich in een moeilijke situatie bevonden geradicaliseerd. De nazistische partijen maakte gebruik van het tekort aan Duitse representatie in vele regio’s door allerlei beloftes te maken aan de Volksduitsers en om vanuit daar langzamerhand te nazificeren. Het feit dat een aanzienlijk deel van de Volksduitsers nu de nazi’s steunden of dat dat er op leek zorgde ervoor dat grote delen van de door nazi’s onderdrukte bevolking na de oorlog op wraak uit was en een haat had ontwikkeld jegens alles en iedereen dat Duits was.
De verdrijvingen verliepen enorm mensonterend en in de meeste gebieden werden de Volksduitsers gegeneraliseerd als nazi aanhangers die verdreven moesten worden uit wraak en om de samenleving vrij te maken van al het nazi gedachtegoed. In landen waar de lokale bevolking flink had geleden kwam geweld vaak niet alleen vanuit het leger en de overheid, maar deden de burgers er ook aan mee. In Hongarije en Roemenië was dit niet het geval, omdat ook zij bij de Asmogendheden hoorden en vele burgers medeplichtig waren aan de misdaden van de nazi’s. Er zijn tijdens de verdrijvingen volgens meerdere bronnen meer dan twee miljoen Volksduitsers omgekomen en het grootste deel van hen overleed bij de verdrijvingen onder Sovjet bewind. Uiteindelijk zijn de verdrijvingen een consequentie van alle misdaden die de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gepleegd en de wanhopige situatie waarin vele Volksduitsers zich bevonden waardoor een deel genazificeerd is. Dit was de oorzaak van de generalisatie van alle Duitsers en het enorme geweld dat zich na de Tweede Wereldoorlog ontketende tegen de Volksduitsers