Geschiedenis van de Volksduitsers in Rusland tot aan de Eerste Wereldoorlog
Duitsers in een groot land als Rusland zijn niet een coherente groep; men kan ze daarom beter onderverdelen in meerdere groepen. Zo zijn er de Baltische Duitsers die meer gemeen hebben met Pruisische Duitsers, omdat ze zich als gevolg van de noordelijke kruistochten (12de en 13de eeuw) hebben gevestigd in de huidige Baltische staten. Deze groep benoemen we apart aangezien ze wezenlijk verschillen met andere Volksduitsers in Rusland. Een andere groep zijn de Duitsers in Oekraïne, Wit-Rusland en Europees-Rusland die door Tsarina Catharina de Grote (Tsarina van Rusland, 1762-1796) naar Rusland werden gehaald, zoals de Wolga-Duitsers. Ook gaan we in op de Duitsers die in de uithoeken van Rusland en de Russosfeer (invloed gebied van de Russische cultuur) zijn gaan vestigen, zoals de deportaties onder Stalin naar Siberië en Kazachstan.[1]
Wolga-Duitsers
De belangrijkste van de Rusland-Duitsers zijn de Wolga-Duitsers, daar gaan we het meest op in, maar we benoemen ook kort de Wit-Russische Duitsers en de Zwarte Zee-Duitsers. De Rusland-Duitsers zijn in contrast met de andere groepen pas in de achttiende eeuw uit Duitsland vertrokken, terwijl de andere groepen dat al in de Middeleeuwen hadden gedaan, dit maakt de Rusland-Duitsers dus erg anders. Ze leefden echter wel net als de meeste Volksduitsers afgescheiden van de Russische bevolking en als boeren.[1]
Vestiging van Duitsers in Rusland
De Duitse kolonisatie naar Rusland begon in 1763 met een manifest van Tsarina Catherina de Grote. In dat manifest werden Duitse boeren en ambachtslieden uitgenodigd om zich langs de Wolga te vestigen, dit gebied was schaarsbevolkt (iets wat eeuwen geleden ook in het huidige Polen het geval was) en de Tsarina wilde deze gebieden economisch stimuleren en de landbouwproductiviteit opschroeven. Hier kregen de Duitsers privileges zoals zelfbestuur, een aantal jaar vrijstelling van belasting en ook hun taal, cultuur en religie werden toegelaten. De eerste kolonisten kwamen uit verschillende delen van Duitsland, zoals de Palts, Hessen en Württemberg. Deze kolonisten organiseerden zich meteen heel goed, zo stichtten ze gestructureerde dorpen met kerken, scholen en landbouwgrond met een geplande verdeling van de grond. Deze kolonisatie bleek vanuit Russisch perspectief een groot succes te zijn en hierdoor werden Duitsers ook uitgenodigd om zich op andere locaties te gaan vestigen in het Russische Rijk. Dit waren voornamelijk gebieden in Zuid-Rusland en huidig Oekraïne, ook deze groepen kregen dezelfde privileges als de Wolga-Duitsers.[1]
Russische Rijk tot aan de Eerste Wereldoorlog
Wat al deze kolonies gemeen hadden was dat ze erg op zichzelf waren, en veel belang hechtten aan hun Duitse komaf, zo werden kolonies vaak naar dorpen genoemd waar ze zelf vandaan kwamen. Deze migratiegolf zorgde voor een goed gestructureerde Duitse minderheid in Rusland, die economisch en cultureel zelfstandig was. In de achttiende en negentiende eeuw groeiden de dorpen uit tot florerende gemeenschappen. De Duitse gemeenschap groeide enorm in de negentiende eeuw, ze waren heel zelfvoorzienend met hun eigen cultuur en zelfbestuur, ze leefden onder de Russen en Oekraïners, toch bleven ze erg op zichzelf. Toch werden de gemeenschappen in deze tijd onderdeel van de regionale handelsnetwerken en sommige Duitse families kregen ook meer invloed, ook in het bredere Rusland. De stabiliteit van de Duitse gemeenschap is vooral te wijten aan het feit dat ze door schoolinstellingen de volgende generaties ook lieten opgroeien met de Duitse cultuur. Religieuze instellingen als kerken hielpen hier ook erg aan mee. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw ontstond er een nationaal bewustzijn in Rusland, iets wat overal in Europa destijds gebeurde. Door de Russificatie werden scholen verplicht Russisch te geven en kwamen er Russen hoge functies overnemen; dit zorgde wel voor weerstand binnen de Duitse gemeenschap, toch bleven de Duitsers hun autonomie wel bewaren voor het grootste gedeelte.[1]
Rol van Volksduitsers in het Russische Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog
De Volksduitsers in Rusland bevonden zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in een moeilijke positie, want Duitsland en Rusland waren vijanden. Vele Volksduitsers voelden zich zowel Duits als Russisch en dat maakte dit conflict dus erg lastig voor hen. Er ontstond een negatief beeld rond de Volksduitsers, aangezien er voor oorlogsdoeleinden veel propaganda verspreid werd die enorm negatief was over Duitsers. Vele Russen begonnen in de loop van de oorlog, en vanwege de propaganda die daaruit voortkwam, Duitse Russen meer als Duitse spionnen te zien dan als landgenoten. De Russische Volksduitsers begonnen steeds verder van de rest van de Russische bevolking af te staan. Een aantal Duitse Russen besloten vanwege alle haat en discriminatie een poging te wagen hun ware identiteit te verbergen, om zo hun normale leven te kunnen blijven voortzetten. Vele hoogstaande Duitse Russen vroegen toestemming om hun naam te veranderen en bijvoorbeeld de Russische achternaam van hun echtgenoot over te nemen, want alleen al een Duitse naam hebben zou een reden kunnen zijn om opgepakt te worden. Een voorbeeld hiervan was de Duitse Rus Andrei Bauer, die 3 maanden in de cel belandde voor ‘liefde voor Duitsland’ (Germanophilia in het Engels). Hij werd hiervan beschuldigd omdat hij soms Duits sprak en vroeger een diploma gehaald had in Duitsland, maar Andrei wist dat het om zijn etniciteit draaide. Zelfs steden en dorpen met Duitse namen kregen een andere naam; het bekendste voorbeeld hiervan is de stad Sint Petersburg die vanaf 18 augustus 1914 Petrograd heette. Ook deze hernoemingen van steden en dorpen taste de identiteit van vele Volksduitsers aan en dan spreken we nog niet over de grootschalige vervanging van de rest van de Duitse taal in Rusland.
Ook in het leger kregen Duitse Russen te maken met wantrouwen; ten eerste werden Volksduitsers alleen maar aan het Kaukasus front ingezet uit angst voor Duitse sympathieën. Ook werden Volksduitsers constant door mede-soldaten en legerleiding beschuldigd van verraad en Duitse sympathieën. Voor Volksduitsers voelde dit als enorm onterecht; ze leefden al heel lang in Rusland en gaven zich vaak vrijwillig op voor een positie in het leger. Voor vele Volksduitsers was een militaire onderscheiding een van de enige manieren om het respect van mede-soldaten en de rest van de samenleving te verkrijgen.
In het algemeen was dit een moeilijke tijd voor de Volksduitsers in Rusland. Ze wilden graag bij Rusland horen, maar vanwege vijandigheid vanuit het Russische Volk wisten ze niet meer wat nou hun volk was, waren het de Duitsers of toch nog wel de Russen?
Vanaf de Revolutie tot het heden
Communistische periode tot aan de Tweede Wereldoorlog
Na de Russische Revolutie in 1917 ontstonden er voor de vele volkeren autonome gebieden (ASSR), dit was ook het geval voor de Wolga-Duitsers. In 1924 werd de Wolga-Duitse Autonome Socialistische Sovjetrepubliek opgericht als een autonoom gebied binnen de Russische Sovjetrepubliek. In dit gebied werden de Duitse taal en het bestuur officieel toegestaan in het kader van beleid gericht op nationale minderheden.[2]
De communistische politiek van collectivisatie en centralisatie had echter vergaande gevolgen voor de Volksduitsers. Onder het communistische bestuur verloren boeren veel van hun privébezit doordat land wordt samengevoegd in collectieve boerderijen en economische zelfstandigheid werd ondermijnd. Traditionele Duitse landbouwgemeenschappen werden gedwongen om hun geïsoleerde dorpsleven op te geven en deel te nemen aan collectivisatie- en industrialisatieprogramma’s. Hierbij werden landbouwers vaak van hun land weggehaald om op collectieve boerderijen te werken, en sociale structuren zoals kerk en gemeenschap raakten meer en meer ontwricht.[1]
Onder deze druk daalde de bevolking van de Wolga-Duitse gemeenschap aanzienlijk en namen spanningen met de Sovjetunie toe. De autonomie van de ASSR en de culturele eigenheid van de Wolga-Duitsers bleven bestaan tot kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, maar de politieke en economische stabiliteit was al significant verzwakt door het Stalinistische beleid van collectivisatie en centralisatie.[1]
Tweede Wereldoorlog en erna
Na de Duitse inval in de Sovjetunie in 1941, werden alle Duitse bevolkingsgroepen collectief verdacht van collaboratie met Nazi-Duitsland. Wolga-Duitsers, Duitsers van de Zwarte Zee en uit Oekraïne en Wit-Rusland werden massaal gedeporteerd. Ze werden in honderden groepen in vrachtwagens en treinen naar afgelegen gebieden gestuurd, zoals Siberië, het noorden van Kazachstan en andere uithoeken van de Sovjetunie. In deze nieuwe gebieden werden de Duitsers vaak onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest: ze kregen weinig tot geen voedsel of kleding, de huizen waren primitief of moesten zelf worden gebouwd, en velen leden onder het extreme klimaat van Siberië of de steppe van Kazachstan. Ze werden gedwongen te werken op collectieve boerderijen, in mijnen of in zware industrie, en hadden nauwelijks vrijheid om hun dorpsgemeenschappen of scholen in stand te houden. Het leven was hard en velen stierven door ziekte, ondervoeding of de zware arbeid. Toch wisten sommige Duitse gemeenschappen hun taal, geloof en tradities in beperkte mate in stand te houden, vaak in kleine dorpen of door geheime bijeenkomsten. Na de dood van Stalin in 1953 mochten sommige Duitsers terugkeren uit de kampen, maar velen bleven permanent in Siberië, Kazachstan of andere afgelegen gebieden.[1]
De meeste zijn in de uithoeken van Rusland en Kazachstan gebleven en hebben een hybride Russisch-Duitse cultuur ontwikkeld. Toch ging een deel van hen in de jaren ’80 en ’90 weer contact zoeken met Europees-Rusland. Ook na de val van de Sovjet-Unie keerden velen terug (na vele generaties) naar Duitsland.[1]
Verdrijvingen
De Rusland-Duitsers vormen een bijzondere groep Volksduitsers die zich onderscheidt van de oudere Duitse
gemeenschappen in Oost- en Midden-Europa doordat ze pas vanaf de achttiende eeuw migreerden. Ze leefden voornamelijk
als boeren en organiseerden zich in zelfvoorzienende dorpen, waarbij cultuur, taal en religie streng werden
onderhouden. Belangrijke subgroepen zijn de Wolga-Duitsers, Zwarte ZeeDuitsers en Wit-Russische Duitsers. Hun
geschiedenis verschilt wezenlijk van die van de Baltische Duitsers of de Sudeten-Duitsers, die al eeuwenlang een
lokale elite
vormden.
Tijdens de late negentiende en vroege twintigste eeuw nam de druk van Russificatie toe: scholen moesten Russisch onderwijzen en Russische functionarissen kregen hogere posities in het bestuur. Ondanks deze maatregelen wisten de Duitse kolonies hun autonomie grotendeels te behouden en hun cultuur door te geven aan volgende generaties. De Russische Revolutie en daaropvolgende collectivisatie verstoorden echter deze stabiliteit. Land werd geconfisqueerd en gemeenschappen moesten zich aanpassen aan de nieuwe politieke realiteit, waarbij veel Duitsers slachtoffer werden van repressie, gedwongen verhuizing of geweld.
1941-1953: Tweede Wereldoorlog en massadeportaties onder Stalin
Na de Duitse inval in de Sovjetunie in juni 1941 veranderde de situatie dramatisch. De Sovjetautoriteiten beschouwden alle Duitse bevolkingsgroepen- Wolga-Duitsers, Zwarte Zee-Duitsers en Duitsers uit Oekraïne en Wit-Rusland- collectief als potentiële collaborateurs met Nazi-Duitsland. Dit leidde tot grootschalige deportaties: honderdduizenden Duitsers werden in honderden transporten per trein of vrachtwagen naar afgelegen gebieden gestuurd, zoals Siberië, het noorden van Kazachstan en andere uithoeken van de Sovjetunie.
In deze nieuwe gebieden werden de Duitsers onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest. Ze kregen nauwelijks voedsel of kleding, moesten primitieve huizen bouwen of in bestaande barre omstandigheden wonen, en werden gedwongen te werken op collectieve boerderijen, in mijnen of in zware industrie. Dorpsgemeenschappen, scholen en religieuze instellingen konden nauwelijks in stand worden gehouden, waardoor culturele en sociale ontworteling optrad. Velen stierven door ziekte, ondervoeding of zware arbeid.
Toch wisten sommige gemeenschappen hun taal, geloof en tradities in beperkte mate in stand te houden, vaak via geheime bijeenkomsten of kleine dorpen.
Afloop na Stalin: Rehabilitatie en terugkeer
Na de dood van Stalin in 1953 veranderde het beleid geleidelijk (Destalinisatie). Een deel van de gedeporteerden mocht terugkeren uit de kampen, hoewel velen permanent in Siberië, Kazachstan of andere afgelegen gebieden bleven. In deze regio’s ontwikkelden ze een hybride Russisch-Duitse cultuur. Die cultuur verschilt van de Duitse cultuur, omdat het contact vrijwel verbroken was. Het is terug te zien in het dialect dat ze spreken. In 2002 gaf een groot deel van de 600.000 destijds wonende Wolga-Duitsers in Siberië aan een Siberisch-Duits dialect te spreken. Pas vanaf de jaren tachtig en negentig, na de versoepeling van Sovjet- en later Russische regels en de val van de Sovjetunie, konden veel Rusland-Duitsers terugkeren naar West-Rusland of Duitsland, vaak na vele generaties. De Russische Volksduitsers zijn hierdoor een unieke gemeenschap geworden, met een geschiedenis van zowel culturele zelfstandigheid als gedwongen migratie, die hen onderscheidt van andere Volksduitse groepen.
Nasleep en perspectief
Het Russische Rijk en de Baltische Staten
De Volksduitsers leefden in het Russische Rijk geen bijzonder welvarend bestaan zoals in vele andere regio’s en hun positie in de Russische samenleving was daardoor ook niet bijzonder. Dit veranderde met de inval van nazi-Duitsland in 1941; Volksduitsers werden massaal gezien als potentiële collaborateurs en naar allerlei afgelegen gebieden binnen de Sovjet-Unie verplaatst. De nazi’s hadden in Russische bezetten gebieden een paar van de ergste misdaden gepleegd van de Tweede Wereldoorlog en enorm veel Russische Joden vermoord. De oorlog op het Oostfront na het verraad door de nazi’s heeft tientallen miljoenen Russische levens gekost. De misdaden die het Rode Leger hebben gepleegd bij verovering van gebied met Duitse burgers waren op een even erg niveau als de ergste misdaden van de nazi’s gedurende de oorlog. Ze werden er volgens bronnen in de laatste maanden van de oorlog ongeveer 2 miljoen Duitse vrouwen verkracht, waarvan een deel zelfmoord pleegde.
Ook de Volksduitsers in de Baltische Staten ontsnapten niet aan dit geweld en werden ondanks hun grotere welvaart en belangrijkere positie binnen de lokale samenleving vergeleken met de plattelandse Volksduitsers in Rusland ook massaal verdreven en vermoord. Na de overwinning op de Duitsers werden onder bevel van Stalin massaal alle Volksduitsers uit Sovjet gebied verdreven naar Duitsland of in Sovjet werkkampen aan het werk gezet onder enorm slechte omstandigheden. Na het overlijden van Stalin werd dit beleid wel enigszins teruggedraaid.